Uit de geschriften van opperrabbijn Tobias Tal

Titel
Uit de geschriften van opperrabbijn Tobias Tal

Jaar
1954

Overig
Redactie: opperrabijn Justus Tal

Pagina's
142



lijke bloedbeschuldiging. Ik zal niet ontkennen, dat zij ons somtijds verwenschen, maar evenmin, dat wij, Christenen, hen op de ergste manier ten doode toe martelen (excarnificamus) ...

... „Wat nu uwe vraag betreffende hunne Synagogen aangaat, die zaak is zeer moeilijk en door niemand, — ik durf dat vrijmoedig zeggen — door niemand uit de Christenwereld en in geen van de boeken juist uiteengezet. Zelfs wat in den Talmud-tractaat Eruvin [sic met v] — over het vermengen van verschillend gebied beteekent die titel — omtrent die zaak gezegd is, is, niet genoeg.

„Waarlijk, als de Haagsche Joden [en hier gevoelt W. precies de waarheid] in ernst zouden meenen, dat zij in den Haag geene Synagoge mogen bouwen, tenzij van die mooie, prachtige steenen bruggen sommigen tot ophaalbruggen worden veranderd, dan zouden zij dwaasheid meenen, dan zouden zij noch hun recht en wet, noch hunne traditiën kennen.

„Of Rabbijnen U wel den eigenlijken grond der betrokken voorvaderlijke inzetting duidelijk en volledig zouden kunnen uiteenzetten, betwijfel ik; niet omdat zij het niet zouden weten, maar omdat zij het vermogen missen, duidelijk te zijn, als zij niet in hun eigen taal en gedachtengang en, levendig disputeerend, met hun eigen lieden spreken.

„Worden zij door Christenen ondervraagd, dan [de inbeelding op eigen weten en de minachtende toon van Wagenseil tegenover de Rabbijnen, die zijn Hebreeuwsch weten, waarmee hij voor anderen pronkte, konden controleeren, komt hier te voorschijn] verwarren zij een cirkel met een kwadraat en men gaat nog dommer weg dan te voren. Dat ik hier niet onrechtvaardig oordeel, zult ge ondervinden, als ge die menschen raadpleegt, als ge hen verzoekt, U niet met een kluitje in ’t riet te sturen, maar U den waren grond aan te geven, waarom zij geene Synagogen kunnen bouwen in open of kwalijk gesloten plaatsen. [Dit was óf valsch van W., want die vraag zou eene strikvraag zijn, of hemzelf was de zaak niet helder, en dan mocht hij zeker niet zoo spreken.]

„Ik zal, hooggeachte heer, hopende op Uwen dank, alle krachten trachten in te spannen — van mijn geest, van mijne kunst en van al, wat ik aan weten over deze zaak heb verworven, om, kort

115

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.