En wat nu Ruperti’s aanteekeningen op Juvenalis betreft, — wat men daaruit nieuws meent te putten, is mij totaal onverklaarbaar. Juvenalis, de geestvolle satiricus beschrijft in zijne 3de satire, wat iemand zoo al overkomen kan, als men ’s avonds heel laat zich te Rome op straat bevindt, o. a. ook, hoe dan een bezopen ruziemaker een vreedzamen voorbijganger staande houdt, uitscheldt, ondervraagt en onder anderen zegt: „Ede ubi consistasl in qua te quaero proseu-chaV’ „Zeg”, zoo vertaal ik om in den toon van Juvenalis te blijven, „op welke hoek sta je, in wat voor een slaapstee — of: in wat voor een bidplaats moet ik je zoeken?”
Juvenalis stelt het voor, dat die dronken spektakelmaker je op straat aanziet voor een bedelaar, die bij dag ergens op een hoek staat te bedelen en ’s nachts ergens onderkomen zoekt. 1) Juvenalis leefde in de tijden van Domitianus en Trajanus en die 3de satire is van nogal laten tijd (in het begin der 2de eeuw). Proseucha is in het latere slechte Latijn eene plaats, door de pieuse instellingen ingericht, waar de bedelaars ’s nachts slapen (volgens het glossarium van Carpenter). Daaraan was waarschijnlijk een gebed verbonden (shelter). Meent men echter, dat die beteekenis eerst van het Middeleeuwsche Latijn dagteekent, maar dat vroeger het genoemde woord slechts voor een kerk in gebruik was, welnu, dan moet de vertaling van het vers van Juvenalis luiden: „in welke kerk moet ik je zoeken?” De bedelaars stonden namelijk steeds bij den kerk-drempel.
Ruperti echter en ook andere verklaarders maken de fout, hier te denken alleen aan de proseuchai Judaeorum, en spreken van de kerken der Joden, die öf in een hoek van de stad, öf buiten aan een rivier, óf op een berg stonden.
Ik geloof niet, dat Juvenalis daaraan heeft gedacht. Als hij eene plaats des gebeds bedoelt, dan meent hij misschien: „bij welk tempeltje sta je aan den ingang te bedelen?”
113
1
In zijn handschrift heeft mijn Vader bij dezen en den volgenden zin en verder nog een enkel maal een vraagteeken gezet. Hij placht nl., ingeval een voordracht van hem werd gedrukt, die voor den druk aan te vullen en uit te werken. Die vraagtekens wezen op wenschelijkhid van nader onderzoek bij die uitwerking. Deze voordracht heeft hij niet meer voor den druk kunnen gereed maken. (J. T.)