handeld werd, doch wonderlijk mag het voorkomen, dat men maar altijd meende, dat de Joden geene Synagoge in den Haag mochten oprichten, omdat den Haag geene ommuurde stad was. En dat begrip was zeer algemeen doorgedrongen. Johan Jacob Schudt, Rector van het Gymnasium te Frankfort a/Main, die twintig jaar later, in 1714, zijn bekend boek: „Jüdische Merckwurdigkeiten" uitgaf, bespreekt daarin de zaak van de Haagsche bruggen in den breede. Uit een werk van Wagenseil over Neurenberg, waarin W. naar aanleiding van zijne beschrijving van de beroemde Neurenberg-sche brug ook over de Haagsche bruggen spreekt en over de kwestie, in verband met de Israëlietische wetten, daardoor ontstaan, — uit dit werk dan haalt Schudt aan, al wat Wagenseil daarover schreef, een stuk van Cuperus’ brief ook, maar vooral Wagenseils geheel antwoord en uitvoerige dissertatie. En na dit alles kan Schudt zich nog niet geheel losmaken van het idee, dat het een met de Synagoge-oprichting verbonden verbod betreft. Ook Mr. H. J. Koenen spreekt in zijne in 1843 uitgegeven „Geschiedenis der Joden in Nederland” bij zijne mededeeling omtrent die aanvrage der Haagsche Joden betreffende de Haagsche bruggen van den wensch om „dat gedeelte „van de stad, waar zij hunne Synagogen wilden bouwen, met het „overige alleen door ophaalbruggen te verbinden, zoodat de Synagogale grond met den omtrek een soort eiland zou hebben uitgeraakt”. Dezelfde schrijver geeft op blz. 206 van zijn boek eene geleerde aanteekening en verwijst daarin naar de uitleggers op Lucas VI, 12 en Handelingen XVI, 13 en naar de aanteekeningen van Ruperti op Juvenalis Sat. III, v. 296. Naar diezelfde plaatsen verwijst ook onze geachte heer Pimentel ten aanzien van het godsdienstig bezwaar, dat de Haagsche Israëlieten leidde tot hun verzoek. Ja, in zijne uiteenzetting zegt de heer P. op blz. 10 van zijn werk over de Portugeesche Israëlieten in ’s Gravenhage 1): „De „overheid schijnt echter van de hand gewezen te hebben het ver-„zoek om het gedeelte van de stad, waar de Synagoge zou worden „gebouwd, met het overige alléén door ophaalbruggen te verbinden, „zoodat de Synagogale grond met den omtrek als het ware een
111
1
) Uitgegeven in 1876 als gedenkschrift ter gelegenheid van het honderd en vijftig jarig bestaan der synagoge aan de Princesse-gracht.