Uit de geschriften van opperrabbijn Tobias Tal

Titel
Uit de geschriften van opperrabbijn Tobias Tal

Jaar
1954

Overig
Redactie: opperrabijn Justus Tal

Pagina's
142



zoude uitspreken [Want zij, die streng zedelijk en eerlijk zijn, zijn de voortreffelijkste menschen, en bij God het meest bemind}. Zijn gebed werd steeds verhoord.

Eens, toen er droogte was, gingen de geleerden tot hem, om hem te verzoeken, dat hij zou bidden om regen. Zij vonden hem niet te huis, gingen naar het veld, waar hij met wieden bezig was. Zij begroetten hem, doch hij wendde het hoofd niet naar hen om. Zij wachtten, tot het avond werd en hij naar zijn huis terug zou kee-ren. Hij ging toen met hen, hout dragende, en hij droeg het hout en de spade op den eenen schouder en zijn kleed op den anderen schouder. Op den geheelen weg ging hij barrevoets, alleen bij het doorwaden van een waterplas trok hij zijne schoenen aan. Toen zijn weg langs een doornenhaag leidde, hief hij zijn mantel op over zijn schouderen, dat deze niet scheuren zou. Bij zijne thuiskomst kwam zijne vrouw hem in bijzonder rein en schoon gewaad te gemoet. Bij het binnentreden des huizes ging hij het eerst, hem volgde zijne vrouw, en achter hen gingen de geleerden. Hij zette zich aan tafel en at brood, doch zeide niet tot de geleerden: deelt mijn maaltijd met mij. Hij brak het brood in stukken voor zijne kinderen, en gaf twee stukken aan den jongste en een stuk aan den oudste. Toen zeide zijne vrouw tot hem: „Ik weet, dat de geleerden zijn gekomen wegens het gebrek aan regen. Laat ons het dak bestijgen [de plaats van ons gebed}, en ons wenden tot den Algoede, misschien verhoort Hij en zendt regen — zouden wij dan langer den menschen het goede onthouden?” Zij gingen naar het dak. Hij plaatste zich aan de eene zijde, en zij aan de andere. Zij baden. Daar zag men wolken opkomen aan den hemel van die zijde, waar de vrouw tot God bad. Beiden daalden weder naar beneden. Toen wendde zich Abba Chilkia tot hen met de vraag: „Waarom zijn de geleerden tot mij gekomen?” — „Men heeft ons tot u gezonden, dat gij zoudt bidden om regen”. — „Geloofd zij God”, hernam hij, „dat Hij deed blijken, dat Abba Chilkia u niet onontbeerlijk is, dat ook het gebed van anderen wordt verhoord”. — „Wij weten”, was het antwoord van de geleerden, „dat uw gebed om regen wordt verhoord, maar verklaar ons toch eenige zaken, die ons tot verwondering strekten. Waarom wenddet gij u niet naar ons om, toen wij u begroetten?”

99

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.