moed van eene onzedelijkheid als „regeling der reservatie mentalis” beschuldigen!
Hoe hier tevens gekarakteriseerd wordt de eigenaardige kunde en wetenschappelijke betrouwbaarheid van den geleerde, die zulke dingen openlijk overschrijft, en toch met zelfbewustzijn zegt, ,g.ich voorloo-pig te moeten vergenoegen met eenigermate in staat te zijn, de vertalingen, door Joodsche geleerden gegeven, te controleeren, en de Hehreemvsche gedeelten van den Talmoed, ook de ingewikkelde „halachische” haarkloverijen, vrijwel te kunnen ontcijferen” (Antw. blz. 6) — daarover moge de lezer zich zelf een oordeel vormen.
Het zij mij vergund, als de laatste afdeeling dezer periode den lezer een paar interessante Talmoedplaatsen voor te leggen, die het best hier hun plaats vinden, omdat zij gedichten in proza zijn, historische poësiën, die niet van de godsdienstplichten, van de letter der geboden spreken, maar alleen de onomkoopbare eerlijkheid bezingen, de innige en oprechte inachtneming van het ja-ja, neenneen, den reinen godsdienst des harten hij de Talmoedisten, bij de echte Phariseën. Ik koos uit de menigte dezer gedichten een paar tot voorbeeld.
Taanit 23a: Abba Chilkia was de kleinzoon van Choni Hameagel. Wanneer er droogte heerschte, en de gebeden om regen moesten geschieden, dan zonden de geleerden tot hem, dat hij het gebed
39a besproken. Ook daar wordt kortelijk aangestipt, dat die instelling niet noodig was tegen gewone van zelf waardelooze nevenbedoelingen, die aan een onnatuurlijke beteekenis of aan eene restrictieve bijvoeging denken, maar wel tegen zulk slim bedrog, als het geval met „den stok bij Raba”. En overigens wordt, voor zoover mij bekend, in den geheelen Talmoed nergens van reservatie mentalis gesproken
Het verdient opmerking, dat de plaats Sjeboeoth 39a in de bedoelde rechterlijke verklaring in plaats van de woorden „de beteekenis door ons en door de rechtbank in het algemeen” leest:; „door den Alomtegenwoordige en door de rechtbank". Maimonides en de ritueele codex nemen de eerste lezing aan.
De genoemde instelling werd bij alle Joodsche rechtbanken, ook bij die in Europa, en wordt in onze tijden nog bij de Joodsche privaatrecht-banken der Rabbijnen in Galicië en Russ. Polen gehandhaafd (Cf. Rit. Cod. IV Cap. 87 § 20; Maim. de jurejurando XI, 48). — Het is overigens van algemene bekendheid, dat hoogst zelden een maar eenigs-zins fatsoenlijk man aldaar een eed doet. Luidt de uitspraak, dat hij zwe. ren moet, dan betaalt hij liever wat hij niet verschuldigd is, dan een eed te doen. —
98