noemd (9)}? Die voorzorg was dus noodig. Waar derhalve de voor-zorg verzuimd is, zou daar de eigen nevenbedoeling niet nog van beteekenis kunnen zijn? — ״Neen” is het antwoord, ״tegen zulke nevenbedoelingen is die instelling niet eens noodig. Deze zijn van zelf zonder waarde. De voorzorg diende, om ook een slimmer be-drog te voorkomen, als bijv. het geval met den stok bij Raba’s rechtbank: Iemand had nl. van een ander een som gelds te eischen. De ander beweerde de leenschuld te hebben afgedaan. Zij vervoeg-den zich tot de rechtbank van Raba. De uitspraak legde den de-biteur den eed op. Deze was geleund op een stok. Toen hij nu, om den eed te doen, een heilige Wetsrol in de hand zou nemen, gaf hij zijn stok aan den naast hem staanden schuldeischer over. Hij deed den eed en zwoer dus, dat hij het geld reeds aan den schuld-eischer had teruggegeven. Deze, van den meineed overtuigd, stoot in zijn drift den stok, dien hij vasthoudt, tegen den vloer. Ziet! daar breekt de stok, en — er rollen geldstukken uit. De verschuldigde som was in de holte van den stok verborgen geweest.
Tegen zulk bedrog waakte de voorafgaande plechtige verklaring: ״dat de termen van den eed alleen de beteekenis had, die de recht-bank er aan hechtte.” (10)
Ziedaar de éénige plaats in Nedarim, waar van reservatio men-talis sprake is. En op grond van deze plaats durfde men den Tal-
•) Het woord in den tekst luidt ,"nipDX, sing. אסקנלן״א . De ge-wone — waarschijnlijk ook juiste — uitlegging neemt aan, dat het is het Grieksche öoTQaxivda speelscherf (een soort dobbelsteen), en verplaatst dus de letter Resj drie letters naar voren. De commentator Rasji (elfde eeuw) verklaart het dan ook met een ander Gr. woord, nl. als een soort DQD2> iprjtpog speelsteen. Dit laatste komt reeds in een tan-
naïetische sententie voor, als meer bekend dan de קוביא> XvftoQ
(cubus) de gewone zesvlakkige dobbelsteen. Zie Synhedrin 25b, bij de bespreking, dat dobbelaars of spelers in het algemeen vervallen ver-klaard zijn van het recht, om als getuige te mogen optreden, omdat zij zich op eerlooze en onwaardige wijze van het geld en goed huns naas-ten trachten meester te maken. — Vgl. Kiddoesjin 21 b, waar volgens
Rasji אסקנדרי in dezelfde beteekenis voorkomt.
״) Dezelfde instelling, om vooraf door eene plechtige rechterlijke verklaring elke reservatio onschadelijk te maken, wordt in tract. Sjeboeoth 29a en
97