sprake is, waar ze namelijk als nietswaardig bedrog gekenmerkt wordt, waar men dergeüjke onzedelijke practijken a priori onschadelijk en onmogelijk zoekt te maken. Dat daar nu het tegenovergestelde stond, hinderde den fantasie-rijken ontdekker niet. Reservatie mentalis stond in den Talmoed. Dit was genoeg. Met een weinigje tekstvervalsching van een paar uit het verband gerukte zinsneden zou het nu wel gaan, in den Talmoed „de regeling der reser-vatio mentalis” te plaatsen. De heer Oort schrijft goedgeloovig over en „spricht ein grosses Wort gelassen aus”; „het tractaat Nedarim met zijne regeling van de reservatio mentalis”!
Ik sla die plaats in Nedarim op:
'Nedarim 24b, 25a; [De kwestie wordt behandeld, of een eed, aan eene onmogelijkheid verbonden, een wettelijke eed kan genoemd worden.} Raba verklaart als voorbeeld dat de eed luidt: Ik zweer, deze vruchten voor mij als ongeoorloofd te beschouwen, wanneer ik niet heden op den weg zoovelen zag, als er bij den uittocht uit Egypte waren. Dit is een overdrijving met de bedoeling: zeer veel menschen. — „Is dit zoo zeker”, vroeg Rabina, „dat dit voorbeeld goed is? Misschien bedoelt de spreker, dat hij een mierenleger op den weg zag. In zulk een geval is de letterlijke bedoeling wel mogelijk.” „Neen!” luidt het antwoord: „Een gedane eed heeft de natuurlijke beteekenis, die wij aan de woorden hechten, niet de onnatuurlijke bedoeling, die hij voor zich er aan verbinden kan.”
„Is het waar”, wordt nu gevraagd, „dat de eigen, niet natuurlijke bedoeling van hem, die den eed doet, van zelf geheel zonder betekenis is? Men heeft het immers, ten einde zulke praktijken tegen te gaan, noodig geacht, in te stellen, dat bij eedsaflegging de rechter vooraf tot hem, die den eed zoude doen, plechtig verklaart; „Weet wel, dat de eed, dien wij U zullen doen zweren, niet de beteekenis heeft, die gij in uwe gedachte misschien er aan hecht, maar alleen die beteekenis bezit, door ons en door de rechtbank in het algemeen aan de woorden, die gij spreken zult, verbonden.” Is dit niet, om te voorkomen, dat iemand bijv. met een eed de betaling van een zeker aantal Zoezim bezweert, maar daarbij denkt aan „oskindari” [in de wandeling ook zoezim, namelijk speel-zoezim ge-
96