Men versta ons goed. AI betreft het hier toevallig twee kinderen, die in R.K. omgeving terecht kwamen, ons zijn eveneens gevallen bekend, waarbij Joodse kinderen door Protestanten zij het niet onvindbaar, dan toch volstrekt onbereikbaar zijn gemaakt voor hun Joodse familie. Zulke situaties zijn diep beschamend voor christenen, voor wie immers de eerbied voor het Jood-zijn, voor het Joodse leven en het Joodse lot, een der meest essentiële kenmerken van hun christelijk geloof behoorde te zijn.
Zulks klemt te meer, waar ons daartegenover ook gevallen bekend zijn, waarin Joodse pleegkinderen door niet-Joodse pleegouders welbewust opgevoed worden in eerbied voor hun Joodse afkomst en b.v. zelfs onderricht worden door Joodse leermeesters. Daaruit blijkt, hoe een oprechte en goede wil niet alles maar toch iets kan goed maken van wat door onheilig fanatisme hopeloos zou zijn verknoeid. Dat neemt ondertussen niet weg, dat ons nog veel te veel onbegrip en onverstand ter ore komt inzake de geestelijke voorlichting, die pleegouders te dezer zake blijkbaar ontvangen. Integendeel, juist zulke naar omstandigheden hoogstaande „oplossingen", als die wij noemden, doen ons des te pijnlijker gevoelen, wat er nog steeds in andere gevallen aan eerbied en elementair begrip voor de situatie der Joodse pleegkinderen blijkt te ontbreken. Weer versta men ons wel. Wij geloven niet aan een Joods „ras". Wij geloven ook niet, dat het aan niet-Joden in de eerste plaats opgedragen is, de vraag naar een „spes patriae", waar het Joodse volk recht op zou hebben of behoefte aan hebben, bevredigend te beantwoorden. Het gaat ons om het levensbelang van de betrokken kinderen zelf, niet om het belang van welk geestelijk, politiek, of religieus natuurreservaat ook, maar juist dan komt de vraag aan de orde, of wij keiharde historische feiten in onze religieuze of andere psychologie mogen ontkennen of verdoezelen. Wat is immers de reden, dat deze kinderen geen ouders meer hebben. Niet hun (potentieel) christen-zijn. Ook niet hun Nederlander-zijn. Zelfs niet hun „mens-zijn" in algemene zin. Maar alleen en juist hun Jood-zijn, d.w.z. het Jood-zijn van hun ouders en grootouders! Dat is het historische en psychische grondfeit, dat juist zij hun hele leven meedragen en dat allereerst aanvaard en geïntegreerd wil worden in hun volwassenheid. Wie dit bij de behartiging van het levensbelang
82