ven zonder daarbij door iemand geholpen te worden, zal wel geen verstandig mens kunnen begrijpen en aanvaarden. Het is dan ook niet om te bewijzen dat deze bewering alle grond mist, maar alleen om aan te tonen, dat zelfs de constructie niet houdbaar is, dat wij hier een mededeling citeren uit de Gazet van Limburg (dd. 19 Maart jl), die dit blad vernomen heelt „van een familielid van de pleegmoeder, die de ontwikkeling van dit drama van nabij heeft meegemaakt". Die zegsman verklaarde:
„zelf binnenshuis achtte men haar ten slotte niet meer veilig en om deze reden werd zij naar het klooster te Valmeer overgebracht, waar ook Betty Meljado vertoefde".
Zij werd dus overgebracht en „onttrok zich niet vrijwillig aan de beslissing van het gerechtshof".
Dat bleek ook uit de rechtszitting:
De president luisterde niet naar haar betoog. Gij laat het kind onderduiken, dus kunt ge het geen harmonieuze opvoeding geven, herhaalde hij steeds, waarop mej. Van Moorst antwoordde: Gij en het O.P.K. dwingen ons aldus te handelen.
Mej. Van Moorst zelf spreekt dus de aartsbisschop-coadjutor tegen! Zij heeft het kind laten onderduiken en „het bewuste meisje heelt niet de vrijheid genomen zich niet aan de over haar toekomst genomen beslissing van de burgerlijke autoriteit gebonden te achten". Niet slechts dat de bewering van de aartsbisschop-coadjutor — evenals in zijn brief van 13 Juli — onwaarschijnlijk is, zij is ook in flagrante strijd met de algemeen bekende feiten en het is hoogst merkwaardig, dat zulk een hoge autoriteit een dergelijke ongegronde en gemakkelijk weerlegbare bewering in een officiële verklaring uit.
Evenzeer ondoordacht is de verklaring waar deze overgaat tot de tegenaanval.
De aartsbisschop-coadjutor doet een beroep op de Joodse gemeente om „afscheid te doen van de voogdij en de achtervolging en opjaging van het meisje te staken". De krasse terminologie, waarin zij, die ter uitvoering van een na rijp beraad genomen gerechtelijke beslissing handelen, beschuldigd worden, en dat nog wel door de hoogste katholieke autoriteit, van achtervolging en opjaging, willen wij nu even terzijde laten. Die woorden zijn immers meer gericht aan het adres van de rechter, de minister, de Justitie en de politie.
99