publiek om een dergelijk onredelijk verlangen te stellen — neiging waartegen men zich schrap zou moeten zetten — is, menen wij, nimmer iets gebleken.
V/ij kunnen dan ook moeilijk aannemen dat alleen deze formele bedenking de Aartsbisschop Coadjutor heeft bewogen lot een antwoord Waarvan de gevaarlijke suggestie uitgaat zo niet van aanmoediging dan toch van vergoelijking van de houding van hen die tot het verdwijnen van kinderen medewerken. Andere overwegingen zijn ook zeer wel denkbaar.
Het kind is nu wellicht vijf jaar onafgebroken in eenzelfde omgeving geweest. Het is inmiddels dertien jaar geworden en haar eigen wil gaat dus meetellen. Onttrekking aan haar tegenwoordige omgeving zou misschien een zware schok voor haar betekenen. Intussen, daarvan weten wij niets — ook de Aartsbisschop-Coadjutor niet blijkens de brief waarop wij doelen. De werkelijke toestand kan ook heel wat minder gunstig zijn. Echter, ook als wij het beste veronderstellen, moet het kind dan tot haar meerderjarigheid ondergedoken blijven met al de bezwaren waarop wij reeds wezen? En als het meerderjarig wordt, hoe stelt men zich dan voor het zonder ernstige complicaties weer te laten opduiken? Wij zouden menen: ook in het gunstigste geval moet toch hij die het goed met het kind meent allereerst wensen dat aan de onbekendheid van des-zelfs verblijf een einde komt. De staat van zaken en de gezindheid van het kind zoals die dan aan het licht zullen komen, kunnen dan wellicht daarna voor de wettige voogd op zijn beurt de zedelijke plicht scheppen om langs de weg van artikel 416 onder 3 van het Burgerlijk Wetboek de bestaande toestand te helpen legaliseren.
Ook is het mogelijk dat de personen die het kind zouden kunnen voor den dag brengen en het niet doen, zich daarvoor op gewetensdrang beroepen. Ook hiertegenover zal een geestelijke overheid anders staan dan de wereldlijke. Echter, de Katholieke geestelijkheid rekent het toch stellig tol haar plicht om, wanneer een gelovige een onjuist standpunt aanvankelijk voor een gebod van zijn geweten houdt, hem van beter inzicht te overtuigen? En nogmaals, wij kunnen niet aannemen, dat zij in dit geval de overtuiging van wie het kind achterhouden niet onjuist zou achten.
Het is te hopen dat de geestelijke overheid, zich rekenschap gevende om welke grote belangen van
91