Levensgang, eerste deel

Titel
Levensgang, eerste deel

Jaar
1906

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
212



getrapt, geslagen en beleedigd geworden? Was ie zelf zoo'n slaaf, 'n stuk werkmachine ? En had ie niet nu en dan voor zichzelf heerlijke boeken, en de natuur, die ie zoo goddelijk vond, zoo hel-licht-vroolijk, en dan zoo droevig weer? Huilde ie niet van genot als ie de schemeravond-wei en de stad tegemoet liep, Zondags als ie vrij had, en dat wondere verdampen van den dag in 't donkere gesluier van den nacht? — Nee, nee! — gilde 't dan weer woest in 'm terug. — Niets had ie daaraan. —■ Want van-de-week nog was 't 'n pracht-zomerdag geweest; al vroeg moest ie naar de fabriek, naar dat berookte hol, waar ie stikkend verdroogde in stinkhitteen knellende benauwing. Wat had ie daar dan van 's morgens tot 's avonds? Wat zag ie van dien prachtdag? Niets; 'n stuk gloed-hemel boven bleef diep blauwen buiten de fabriek, met blakerende zongevels voor 'm. Geschaft werd 'r niet. Eten onder 't werk, dat moest. Even 'n boodschap; dan zag ie soms kinderen uit de school lawaaiend wègkleuren in groepjes, en zelfs die van de armenschool, uitgebraakt in hun vodden, als uit 'n riool gepompt, huppelden, nog niet kennend hun leed van later. Maar de goddelijke zomergeur van buiten rook ie niet, nooit in de week. Alleen fakkelden vóór 'm, in den smoordag, de uittikkende verstelpetten, den heelen dag brandend z'n oogen in, omwalmend, zengend z'n hoofd. Daar zat ie nou 'n heele week, met lust in 'm, al was 't maar een paar uurtjes, om te kijken in de wei, achter de boomen; om te studeeren, te kennen, te verstaan al dat gelèef, die boeken, die menschestemmen; om zelf geen woord te zeggen, om altijd maar te luisteren naar dat bewogene van natuur, van menschen. Maar hij mocht niet, zelfs geen uur, geen minuut, en al z'n makkers niet. Ze moesten allemaal verzweeten achter hun pitten, in zwaren gasstank, in gloeiende benauwing van zomerhitte, opgejaagd tusschen eng geknel van molens, banken, raderen en broeiend samengedrang van uitwasemende lijven. En 's avonds, doodmoe meestal, toch weer werken en inhalen, om niet zoo stom, zoo vernederend achter te blijven, of levend alleen als 'n dier dat vreet, slaapt en ploetert, altijd door.

Dieper scheurde en woelde z'n gedachte-leed in 'm.

Was hij anarchist? Wou hij de menschen toch zien stukhakken, of uiteenbarsten door bommen? Nee, nee, dat kon niet. Kalm en streng wou ie nog eens voor zich zelf nagaan, wat ie wou, wat ie was. Vernederd, uitgezogen werd ie, door wie? Door z'n baas natuurlijk en die weer door den juwelier. En zoo was 't toch in alle vakken, onder alle werkers. Overal vloekte toch 't heele proletariaat, overal vloekte 't om z'n zwoegen, als 't maar een beetje begreep hoe 'n mensch kon leven en genieten als ie vrij is.

De maatschappij had ze allen tot rampzaligen gemaakt. Als er geen bezit was, zou niemand zeggen: ״Dat is van mij, daar blijf je af." Moesten de arbeiders zelf niet veel meer eischen? Nog pas had ie heel goed begrepen, dat zij alles laten leven, dat al de arbeid uit hun handen komt. Nu moest 'r toch iets zijn, dat ieder,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.