86
— Verrék swijn!.., hoe sraam je z'k niet voor mewrou?
— Laat mij Saartje nog 'n beetje kotje geven, — zei deftig-gelukkig glimlachend Lozij, die 't woordje koffie al twee jaar lang ordinair vond.
— Hoe ken ik niet zooveel koffie chlobbere as u? — viel Sak weer middenin tegen Lozij uit, maar ik heb zoo è verschwartzte hartbranding,... me hartt brand me n'af as vuur,... me héél léve lang heef 'k zoet gegete! ... en gepimpelth!... u lach ?... om-as u 't zachs het gekenne zien an me mond zal u zerre ?... en nóg ken ik 't nie nalate!
— Da-motje doen zooas ik, en géén koffie meer drinke, maar wiener melange, fijn!... mit wanielje-room? — lachte Lepper.
— Koékemol *) wat è bluf!... wil ik jou ereis wat zerre Lepper?... jij vreet koekies en je kakt boles!... mit anderewoorde, jij drink net zoo goed gewonene koffie as ik, maar je maak z'k grootch!... dat kenne we! —
— Wat za-je daaraan jokke, — sarde Lepper 'n beetje gebluft.
— Dat kenne we.... ons kén ons... zoo è chloumeduikelaar 2) is Zeelik Rozijn ook!
Onbedaarlijk joeg van alle kanten weer gelach aan, en met de laatste dreuningen van piano gilden de papegaaien weer op. Oogen-blikken waren er weer, dat iedereen met vertrokken gezicht zat of stond, wrevelig te spreken of te luisteren als woorden wegsmoorden in herrie en niemand z'n buurman meer verstaan kon. Vooral de wit-grijze Hollander vlak bij Bresser, krijschte oorverscheurend, met getril van z'n dik-zwart tongetje boven de drie andere uit, die meer lachten en zongen dan schreeuwden. Bresser kon niet meer aan 't woord komen; drift sloeg 'm tegen z'n strot; woede laaide op om alles kort-en-klein te slaan; maar machteloos-zenuwachtig lachte ie maar mee met de dieren, z'n visite die ie niet verstond en ook hem niet hoorde, — totdat ie op 'n dol moment razend de kooi van den witten Hollander beet greep van boven en beneden, onder gewaggel, vingergepiek en gekrijsch van papegaai, die plots de lucht inging, naar de deur toeliep en met donder-brul Saartje toeriep in de keuken:
— Saaartje!... Saartje-pak-an!... die vervloekte pesbeeste make me mesjogge !... neem-an!... je ken je eige woord niet meer verstaan!
Godverrrdomme... hoor je niet... Godver... verdomme, bas-stemde de papegaai in benauwdheid Bresser achterna.
Saartje kwam rood-opgeblazen aanhollen.
— God-meneer! — ratelde ze uit, van beneden 't trapje opkijkend naar de kooi, die Bresser klaar hield om te laten opvangen, — god-meneer-wat-è-léve! -wat-mot-'k-mit-die-bèeste! -me-soepp !-wat-è-druk-kie! -me-kiph!-! -waar-motte-ze-héén !-me-kop-loop-me־n -om-wer -ag-tig !-me vleesch!!
) Zie eens an.