Levensgang, eerste deel

Titel
Levensgang, eerste deel

Jaar
1906

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
212



83

— Breek me kop!... zal d'r wat oppan komme!... nee jij het 'r verchtajem *) van! — en plots zich bewust wordend, schorde ie nijdig met zwaardere stem: — ik heef nog 'n appeltje mit jou te srille!... verbeel je z'k dat je zoo van mijn afkomt ?... al bi-je nog zoo 'n trotsche frotterhaurik en ik nóg zoo'n arreme parrig, ik zeg doch wat me op 't hart leg!

De zwagers, als latere bezoekers begrepen die plotslinge kijfwen-ding in 't gesprek van Sak niet, maar hij, eenmaal opgelaaid, ging voort, onder nerveus-bange gezichtsvertrekkingen van Bresser, die de stuip had voor Saks mond in 't bijzijn van zooveel menschen.

— En of jij 't nou 'n pietsie fijner zeg as ik, dat ken me niks sreéle!.. . jaa ik ben daar 'n vrijmesseler !... of je ne gluiper laat of e wind, je chtink dóch!. .. ieder vogeltje zink hoe ie gebek is, nógg !. .. Jaa ik weet daar van die hoogdravensche woorde ! . .. jaa we binne daar an 't hoff! ... en as je de pes in hèt, om as ik je de waarheid zeg, as je begap an de werksman, ... dat mot jij weéte !. . . binne jóu zake!

— Hou nou je mond maar! — viel Bresser uit, — want bij godallemachtig, ik véél je beleediginge niet langer!

Er kwam opwinding in 't klubje, en de vrouwen, verschrikt door 't ontzettende gekrijsch van Sak en Bresser, zwegen, elkaar bang aankijkend. Sak was vaal-groenig bleek geworden en z'n rotmond beefde hevig.

— Ik heef schrijt an jou groohte smoehl!... hè je vestaa-aan?!... ik hou me smoel niet! ,. . jij bint begonne, jij hèt gezeg asdat ik kinnessinne 2) heef, om as jij rijk bin en ik arrem, en ik zeg dat je liég !. .. dat-je 'n vuile bluffert bin! . . . 'n verschwartzter nar, die elkeene doodslage wil mit ze chènte ! . . . Zeg jij nouh maar as dat ik niks voelt veur de werksman!.. . dat slaan 'k an me tóoges, as wat jij zeg! .. . zeg jij nouh as dat ik niks geen , . .

Sak kon niet verder; van alle kanten werd er geschreeuwd, geduwd en betoogd, ook door den mienigen Lozij, dat Bresser zooiets niet gezegd had, en vloekend, krijschend, lawaaiden en nijdigden de stemmen boven elkaar om gelijk te hebben.

— Dat hèt-ie wèl gezeg! . .. tögg, tógg! — hield Sak woedend, schor-gillend vol, tegen de duw-armen, handen en krijschstemmen van z'n bestrijders in.

— Dat liég je!... allemaal zijn m'n getuige, Lozij, jongeneer Lozij, Lepper, Heijman .. .

— Ik heef schrijt an jou getuige ! . .. die wille jou flikflooie !... maar ikke niet! ... ikke bin pietje-rech-uit, ikke heb me hart op me tong en jij bint begonne mit beleedige ! ... en dóch wil 'k 't zerre!... jij bint 'n arreme parrig geweus, net-zoo-goed as ik!... al wi-je dat nou niet hóore, waar is 't, en jij belazert an de werksman 't erregste van allemaal! ta !... ta! — En inééns heel kalm, sarrend, ging Sak voort:

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.