Levensgang, eerste deel

Titel
Levensgang, eerste deel

Jaar
1906

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
212



179

dat ie al den heelen dag gezeten had. Dadelijk liep 't over de hitte. Lepper vond 't mesjogge heet en Rozijn was bang voor 'n zonnesteek in zoo'n ״bloedwarmte".

— Nóh, wat hè-je dan nog?... dan hè-je tenminste 'n steekie op! — lolde Sak. — è mens ken toch maar éénmaal sterrewe! ... nouh of morrege kapore 1)... komp 'r oppan... ménse genögg!

— Jij het goed prate, — zei Rozijn, — jij ouê snoepert!... jij hét jou porsie dubbelt en dwars gehat, maar ik, ik bin nog jong!

— O ja!... hè je nog als 'n oogie op Eef?... de rechte soort! — sarde Sak, negeerend weer woedgebaren van Bresser, — haas je maar niet, morrege is ook è dag!.., oggenebbich 2)... hoop maar... è goeie hoop is nie kwaat"... maar-afïjn, ik zeg niks! goed beschout... binnen 't me-zake niet... die veul zeg, hèt veul te verantwoorde !... wat jij ?

Weer stootte wijd open de deur. Saartje kwam met 'n groot zilveren blad aansjouên, waarop 'n twintig, met koffie volgeschonken kopjes elkaar verdrongen. Nadat ze de heele tafel ontruimd, en Bresser haar gewaarschuwd had voorzichtig te zijn met 't „pjès de mejeu" zei ze schmeichelend-lachend tot de ouê-vrijster-nichtjes, die sip buiten 't gesprek en 't gezelschap zaten, dat de „jüffrou" op slag kwam. Saartje kon geen mevrouw zeggen, ze had 'r al zoo lang gekend als juffrouw. Eén nichtje, zittend tegenover de ouê-vrijster, met suikerbeeldje van botercake pal onder haar neus, spiegelde zich glunderig-effetjes, maar telkens wéér, net doend alsof ze 't hoofd naar den papagaai draaide, in't onderste spiegelgalerijtje van buffet, waarin ze haar heele chabbes-chiek zag glim-kaatsen. Sak, die toevallig haar op spiegel-manoeuvre betrapte, wou net iets bits zeggen, toen Lozij 'm vroeg of ie aanstaande Poérem 3) niet verkleed ging.

— Wie denk d'r nouh an-è Poérem mit zoo è benaute... nogg!... en dann,... ik heef wat anders an-me kop!... me kindere ombeschrieë fesoenlik grootbrenge, dat is mijn Poerem... goed veur mense as u en Levie, die doch niks te doen hebbe... die kenne doen en late wadde ze wille.

— Wil ik jou'es wat zegge, Sak ? — zei Lepper heel gewichtig, — ik gloof, dat jij de zon nie in 't water ken zien schrijne... jij spreek zoo, omrede je me patroon 't lich niet in z'n ooge gunt... je bint jaloers... dat ken je van mijn gedrük krijge. —

— O sloo! — grinnikte Rozijn ophuppelend mee, woedend nog om Saks gemeene toespeling op Eva, z'n nicht, met wie ie zich dacht te verloven.

Stemmengedrang klonk fel tegenelkaar in; allemaal tegelijk wilden ze aan 't spreken, tot de hoogste krijscher, éen woord doorschreeuwend, overwon. De papegaaien gilden weer aanhalerig en de piano donderde in de bassen voort, als 'n hollende trein over 'n brug. Met

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.