78
'm heftig■ af, en drong Bresser alléén te antwoorden. Bresser, zich raar in de klem voelend, viel schaamteloos uit, dat ie z'n duiten verdiend had met z'n eigen handen, z'n oppassen en uitkijken.
— Ik heb m'n duite bij elkaar gegaard en gespaard!
— O ja!. . . an me nabbel ').. . neem mijn! — lachte Sak, duivelsch-grijnzend met z'n zwart-groenen beet-rotmond, — en ze koste je je hare van je hoof zeg je zellewers .. . hoe klopp dat mit je eige uitkijke?... allemaal goed en wel... ik vraag maarr... hoe kóm jij dan an de duite?
Sak had weer schor-bulderend z'n vraag-konklusie gesteld.
■— Ze stele me arm — ging Bresser door, in schijn 't klemargument van Sak niet hoorend, — verleje week most 'r éen 'n beetje lang wachte op kantoor... is me die gannef in 't ״Ilooi-schuurtje" gegaan en hét me goed voor 'n appel en 'n ei verkwanseld en hét mijn bruin in de hande gestopt... ik heb me dood geschrokke toen 'k 'tzag!... of ze gappe?... tuig is 't, tuig!
— Allemaal goed en wel, maar hoe kom je dan an de duite?? — hield Sak met zangerig stemgebeuk vol.
— Lèk jij me rondom, verschwartzter nar!... zeker van haarlie? — grinnikte Bresser wreed-zuur in drukke gebaring van z'n beringde handen, ״koesjt" roepend tot den papegaai vlak bij 'm, die oorverscheurend doorgilde op arabesk pianogeslinger van 'n aandreigend trilmotief.
Plots ging de deur open. Rozijn en Lepper, met twee ouê, ongetrouwde nichten van mevrouw Bresser, stapten binnen. Achter de open deur vloeide nu ratelend luider klarinetgejoedel, met soms lang-diepe tonen, aanhoudend tegen 't felle, snerpende vioolgezaag.
— Wat 'n overhoopte!... om gek te worre! — zei 'n nichtje, dat, na allen vluchtigjes gegroet te hebben, rood-vlekkig, zweet-vet bedrupt om neus en oogen, pal aan de punt van de tafel was gaan zitten, met glimmond boven 't poppetje van 'n hooge botercake, waaruit twee schuine hoeken gesneën waren.
— Veurwat an de punt Mie? vroeg Sak de ouê-vrijster, die stug vóór zich zat te kijken in gepeins,— dan trou je doch in geenzewe jaare!
Mie kreeg 'n vuurrooie kleur, maar zei niets. Er was wat stilte gezakt in de kamer door 't breken van de verhitte gesprekken, zoodat ook de papegaaien mee uitrustten en alleen dan mee-steigerden wild, als de stemmen tegenelkaar inkrijschten.
Blazend en hijgend waren Lepper en Rozijn in 't mannekringetje komen staan, met vlekkige, paars-rooie zweethoofden, naast Sak, die maar niet wou zitten.
— Neme jullie stoele, — zei Bresser goeierig tot z'n knechten.
— As 'k staat bin 'k grooter, — antwoordde Lepper gevat, met lach-kuilen in z'n bol-kop, en Rozijn, die, hoewel in éen houding staan blijvend, overal monsterend z'n oogen heendraaide, beweerde