167
uitstalling■ van zilver, naast taarten en koek, ״zooas meneer d'r me-chogge had gemaak te doen."
— Saar je schullepies !.. . geeme-ne chnokkel *). .. hi.. hi.. hi.. wat-e-kak!. .. wat e chnéks-madam! — 2) lachte Sak, met z'n hand plots woest grabbelend in de geschulpte haren van Saar, die vettig-pikzwart, plat op haar voorhoofd plakten, dat beenig-smal, onder vastgekleefden haartooi vol groene-zeepglans, uitpuntte, met iets dun-snoeterigs van 'n haringkop in oogstand, kin en kaken.
— Nóh-schreit-uwes-toch-uit-warachtig-me-beetje-haar-'n srandaal! nóh,.. . me-pietsie-chabbes-verstore ! . ..
Nijdig had Saar haar zinnetje, aaneengeregen-toonloos uitgerateld, na eerst met 't gif van d'r groene nijd-oogjes Sak bespat te hebben.
Jij mot altijd je póóóte uitsteke! — zei Bresser, diktongig van kwaadheid.
— Veurwat ? . .. wat doe 'k dan ? . .. nöggg!. .. meen je haar schullepies ?. .. è mooi kriebelgatje!.. . mot zoo'è uitgedroogde nekeiwe 3) dan nog schullepies drage?,.. wat è lef!... wat è ponem!. . . dat leer jij d'r zeker, en veurdat trek je z'k d'r partij veur d'r schullepies ... vertel mijn!
Bresser lachte zuurder, schudde ״nee", tegen 't schorre gekrijsch van Sak in, voornaam z'n puntbaardje met beringde schitter-hand beaaiend.
In de kamer achter de eetzaal klonk plots stoelbombardement. Henriette, op een na de jongste dochter van Bresser, was luimig thuisgekomen, en had direkt zich voor de piano gezet, om met de deuren dicht door te studeeren, alles wat stoel was om haar heen opzij gooiend. Zelf 'n beetje doof, speelde ze met negatie van rumoer rondom haar. Als er visite was, vond Bresser dat piano-gestudeer, met z'n telkens vloeiend gerol van de hoogte naar de laagte en weer terug, soms met twee handen tegelijk, prachtig, omdat ieder dan hooren kon hoe ie z'n kinderen opvoedde, en wat voor 'n orkest ie thuis bezat. Wel verwarde en dempte 't soms sterk 't gesprek in de eetkamer, maar dat had ie 'r wel voor over. Alleen voelde ie zich kregel, omdat Lozij nog over z'n buffet zweeg, en Sak, die ״door 't mechoggene 4) heen was", ook niets zei.
Als er gesproken werd, moest ieder z'n stem hard uitzetten, dwars door 't piano-gejoel. Bresser was, onder 't inschenken van kognak en wijn druk aan 't schreeuwpraten over z'n laatste Lon-densche reis en 't afloopen van z'n partij-brokkantig en Cape-white.
— Hè-je dan niks meer veur je mense? — vroeg Sak meewarig.
— Me mense?... jij vraagt altijd van je af!... me mense?... voorwat eerst die ?... nee, zeg-zöo: ik heb niks voor me zélf.
— O ja, heb rachmonisB) mit je!... vertel mijn!... noggg!... of'knie
•) Meelij.
') Zoen. ') Vrouw met veel drukte. s) Meid. *) Dolle.