65
— Ghéén kwètsie vann!... die wil mijn belazere!... Sraam je z'k veur die arreme parrig van è neefh ?... Dan mot je 't ronduit zerre!... nögg!... Bi-je besraamt ower mijn teuge meneer Lozij an, omrééede-je zoo'n arreme parrig in je familje hèth ?. .. Dan gaan 'k wègg ! . .. noggg! ... die-is, zal 'k dóódvalle óók goett!...
Saks gezicht was weer kreefterig rood van drift geworden. Z'n stem schorde rauw-schraperig, als van 'n venter die zich heesch geschreeuwd had; bij eiken eindzin schrampte en scheurde ie 'n vreeselijke ״nóggg" eruit, erger dan 'n vloek, die ie aanhield schor-gerekt, vol haat, met bevend-opgetrokken grauw-rooiige bovenlip, die lang erna nog, in tartende minachting van heel z'n, met gift-woede doorschokt gezicht, bleef trillen. Sak was op z'n chabbes, met zwart gekleede jas, waarvan de voeringlooze knoopen flauw-blauwerig glansden als gewreven loodschijfjes. Z'n groote, gebogen kokkerd, viezig vanbinnen behaard met zwartige sprieljes, rondom omsprenkeld van bruin-week sproetjesgespat, stond tusschen weggesmalde oogen, onder laag, vuilig-vergeeld voorhoofd, waar net berg tegen plakte. Glundere, diepe oogen, vol vreemde, giftig-draaierige kleur-mengeling, als van glazen, binnenin spiralend beschilderde stuiters, driftten in nog diepere kassen schuwwild door 't vergeelde wit, alsof ie 'n ziekte onder de leden droeg. Naast z'n neus, onder leedjes-fljn-bestreepte ooghoeken, holden paars-zwarte zakken en als ie sprak of lachte, rijde 'n rotmond met vergroeide, zwartig-groen-wèggebrokkelde tanden, uit iets naar voren geduwde kinnebak, waarop z'n bovenkaak tandloos bijna stompte in bleekig vleeschrood. Z'n zwaar bekruld, kroezerig haar had bij z'n groote, randloos vooruitbuigende ooren, grijsdottige pluimen, stoppelig wild, oorholten ingroeiend. Een kaalplekkige baard, met klierig-rooie huidschemering ringde nijdig rond z'n kin, verbruind-grijs, verwilderd uitloopend in vinnig-rood-zweertjes-gestippel onder den hals, waar 't vleesch ingekneld zat tusschen mal-hoog-engelschen boord, die al z'n hoofdbewegingen star verstijfde. Gelijkenis met Levie Bresser, den juwelier was er niet veel. Die pronkte met z'n hoog, glad voorhoofd, toevalligen denkgevel, z'n fijn onderhouên lichte huid, z'n blondrossigen puntsnor, z'n kleine-wit-weeke handen, z'n rechten neus, waarboven ingleufde gouên bril, die professoraal geglans gaf rond kippige oogen, z'n chiek geknipten puntbaard, waardoor ie sprekend geleek op 'n zeer bekend minister, wiens loop en kleederdracht ie dan ook stiptelijk bestudeerd had, om de gelijkenis al maar grooter te maken. Ook hij liep op straat met 'n beetje gebogen rug, hoewel 't'm moeite kostte, en in zaken-gereken z'n schouders soms plots vreemd zakten; ook hij liep 's zomers altijd met 'n prachtig, wit satijnen vest, bebloemd, of vol gouên hoefjes, met een hoogen dop, waarop schitterde een overal meedraaiende lichtspiraal, éen dag in gala, met gelakte schoenen, 'n anderen in licht-geruit grijs, dan weer in tusschenschakeering van gedempt-grijs cheviot naar donkerder blauw, altijd chiek, in uiterste verfijning van kwaliteiten