164
— Houw-uwes־èfFetjes-stil-dat-kenn-'k-niet-allemaal-niet-ontouwe... me-kop-loop-me-n-öm... ik-wor-nog-me-chogge-in-uwes-huissouwe... me־kop... me-kop!... wat-het-uwès-gezeg-allemaal ?
Bij de deur stond Saartje; toonloos-snel had ze gesproken, in tuimel-vaart. Nooit kon ze antwoorden, of knorrig moest ze iets terug mogen ketsen. M.et nijdig gezicht luisterde ze weer, klaar om bevelen op te vangen.
— Ik zeg niks tweemaal voor 't zelfde geld. .. bi-je mechogge-of-wat-scheelt-je ! ? ... de mense hoewe niet te denke dat 'k geen zilwer heb !. .. en nou afgemarcheerd march ! — donderde Bresser Saartje na, die, doodbang voor z'n driftstem, weggehold was.
Klaar-galmend, keilde de bel klank-schommeling door de hol-hoog uitgebouwde gang. Dat moest Lozij zijn. Tegen 't raam gedrongen, plat z'n neus op de glazen gedrukt, noodeloos duwend z'n bril, poogde Bresser, in teenverhefïing, van boven door 'n latreet op de stoep te zien. Daar zag ie Lozij met zoon, en neef Sak.
Godverdomme! — driftte ie in zich-zelf, onder 't gejaagd aantrekken van z'n gekleede jas, haastig over overhemd-gebobbel — altijd die verdomde Sak! — Woedend was ie, dat die 'm nou weer z'n chabbes kwam verstoren, woedend op dat stuk falderappes 1), die schandvlek voor de famielje.
Door de gang strompelden menschen achter elkaar 't trapje op naar de eetkamer, waar Bresser vandaag ontving, om 't effekt van z'n nieuw buffet en nieuwe klok, zóo uit de eerste hand, te zien.
Wijd sloeg open de deur, met neef Bresser in kort gedrongen gestalte voorop, waarachter uitpropte 't hooge schommellijf van Lozij, met z'n gespannen bierbuik, onder licht, fel-wit vest gesloten, in chieke omlijsting van fijn, zwart-kamgaren kolbert. Bij-zij, 'n beetje verscholen, magerde, iets hooger dan hij nog, z'n knokkige zoon, med. stud., familiegodje van geleerd- en bolleboozerigheid in alles. Bresser liep naar de deur, drukte joviaal innig de hand van Lozij en zoon, med. stud., met strak voorbijzien van Sak, wel wetend dat ie 'm daarmee pestte.
— Zeg! .. . bin ״k zóo e kleihne droll, as-je me nie zieth ? . . . nóggg! — schorde Sak Bresser, vuurrood van woede uit. Met z'n hand stond ie klaar, en Bresser had 'm nieteens goeiendag gezegd.
Sak Bresser was de arme neef uit de familie, vroeger slijper geweest, half werkman, en toen, door invloed van den juwelier, makelaar geworden. Allen in de familie waren bang voor'm, voor z'n flap-maar-uit-tong, en omdat ie overal, altijd dezelfde was. Alleen Eva hield van z'n robuustheid en hij van haar, omdat ze nooit ״grootch was teuge d'r arreme parrig van è neefh."
Op Saks uitval had Bresser alleen 'n zuur-zoet lach-gezicht getrokken en luchtigjes gezegd, dat ie zich niks dik moest maken, want dat ie 'm wel degelijk goeiendag gezegd had.
') 'n Soort Jan Rap.