I&3
genomen. Stinkbokken van drie cent had ie heel netjes in 't zilverpapier van zijn vijftig-cents- en guldenssigaren gerold. Wat 'n slimme rot vond ie 'm toch, sprekend hij-zelf, toen ie jong was. In stilte had ie om z'n streek geschaterd, den heelen boel op straat gesmeten en Herman 'n pak ros gegeven, om 't fatsoen en ontzag op te houên van zoon tegen vader. En van dien tijd af droeg ie t sleuteltje aan z'n ring.
't Was drie uur. Stikkender broeide zonnehitte achter de ramen, als dampend licht speel-trillend tusschen 't latjes-gereep. De eerste koelheid uit 't schemerlicht was weggestoofd. Zacht trok Bresser aan koordje van 'n jalouzie, wringend de latjes in recht-öp-stand. Fel schoot plots 't licht de kamer weer in, gemeubel opschrikkend uit loom schemergesoes. Zacht geschuif krabbelde uit de streep-goud-flonkerende papegaaikooien, van zonlicht dat spatte op koper; de parelende gaskroon schoot vonkvuurwerk in bogen en kleur-tooverende trillingen rond dwarrelend gecirkel en gevlam van lichtjes.
Ongeduldig verlangde Bresser naar de komst van Lozij, om 'm te kunnen pesten, de oogen uit te steken met z'n buffet, z'n klok en 'n hoop dingen die ie nog niet bij 'm gezien had. Eikaars bloed konden ze drinken, en toch altijd waren ze samen, wilden elkander niet missen. Zonder kloppen was Saartje, de joodsche chef van de meiden, binnengekomen. Als half uitgroeisel van Bresserschen kring, al twintig jaar in dienst, had ze alles meegemaakt, kende elk geheimpje van de familie, mocht de kinderen mee helpen grootbrengen, was vertrouwde en verschoppeling van allen. Wijd-uit had ze de deur opengeslagen.
— Uwés-froü-laat-frage-of-üwes-al-koffie-mot-hebbe ? —
Saartje sprak ratel-snel, alles op éen toon, in letters-opslurpende vaart. Bij elk woord, trok hoog aan éen kant haar mond scheef. Door jaren gewoonte alleen koo iedereen bij Bresser haar verstaan. De juwelier had 'r niet eens aangekeken. Door de jalouzietjes heenloerend, met gebogen knieën, om de gracht over te zien naar Lozij, zei ie afgebroken:
— Nee... nou... nog... niet,... als meneer Lozij strakkies komt,... maar... geef maar... de kognak... en... ne... de wijn... en... en... zet de taart klaar.
Nog zag ie niets aankomen; zich omdraaiend naar Saartje, ging ie toen sneller voort:
— En breng wat schuimpies... maar dénk 'r om, presenteer op 't nieuwe zilwere blad... en breng je mijn gróote zilwere beker... en breng mee, de zilwere suikerstrooier en de zilvere taarteschep... maar zeg niet an m'n vrouw dat ik 't je gezegd heb... en de zilwere klontjestang voor de kognakkies,... en de presenteertrommels de zilwere, jewéetwel,... denk 'r om Saartje,... maar doe 't uit je eige hoor!
Saartje was, haar handen op 'r gezicht slaand, ingevallen, ratel-snel: