159
er was, waar ie zich doodwerke, inplette mocht in geile smoordriften. Zóó moest ie 't leven kunnen pakken, zoo moest ie in dat lichaam kunnen graven, als wraak op z'njeugd-ellende, op z'n doodploeteren en sarrende ontberingen. Alles van 't stof-leven wou ie proeven, bedaard, inzuigend 't volste genot van elk leefmomentje. Hij wou proeven, voelen den tijd, 't geld, zijn duiten, z'n genot; hij wou 't niet laten gaan, niet zien vervluchtigen onder hem wèg, meegesleurd in 't staag gaan van uren en dagen. Hij wou vastgrijpen dat vervloeiende genot, om 't telkens opnieuw te proeven, te voelen, te ruiken, zich zwaar schooierend tegen den vet-rug van z'n weelde, opzwiepend al broeiender hartstochten. Zoo rookte ie, in goddelijken proeflust, guldenssigaren, zwijmelend in warmen damp-geur, zonder dat iemand 'm mocht storen; zoo kocht ie zich zijden onderbroeken, kousen, nacht- en daghemden, zoende en koesterde de zachtste stoffen aan z'n lijf; zoo moest alles fijn en rijk-krakend aan z'n lichaam wezen; alles amerikaansch-praktisch en hoog-rijk-toch. Zooiets had ie altijd gewild, en nou genoot ie 'r dol van. Hoe meer de dingen aan 'm vanzelf gingen, hoe inniger ie lolde. En zoo luisterde ie, met even veel-geluk altijd weer, naar z'n mooi slaand horloge, zoodat ie 's nachts precies kon weten hoe laat 't was, luisterend naar de licht-zilveren slagjes van z'n remontoir, dat gouên ding, waar alles op stond, als 'n kompleten levenskalender en dat niemand vóór hem in Amsterdam had gekend.
En onder die heete drift om alles te willen heb-voelen en hebproeven, uit de dingen zuigend de kittelendste zinne-essence, drong en nijdigde in z'n sluw-bekrompen hoofd, 'n minachtende wereldbeschouwing voor stumpers en werklui, die niet zóó geploeterd hadden als hij, en zooveel geest niet om rijk te worden. Hij voelde niets van dat werklui-meelij; ze hadden te vreten, goed, dat was hun geluk! Hij kon niet dulden dat ze méér verlangden. Niet iedereen kon rijk zijn, niet iedereen had zooveel doorzicht, werkkracht en slimheid. En goed vond ie 't, dat zooiets ook maar bij enkelen bleef. Z'n geld-in vloed had 'm opgetild uit nietigheidssfeer waar ie eigenlijk hoorde te ademen. Niets zag ie meer dan geld, vrouwen, genot en handelsradheid. Vandaar dat ie Eva, met wie ie bijna altijd overhoop lag, vreemd, royaal en ongehoord-goedig vond. Toch durfde ie 'r niet véél zeggen, omdat ie 'r érg noodig had, in alles, als hij weg wou naar Londen of Parijs. Hij moést 'r wel ontzien; maar anders, om haar afbrekend gesar op alles wat hij deed, en wat hij kocht, met haar geniepige kritiek, haar stillen spot, en haar giftig neerslaan van z'n parvenu-vleugels, waar ie éven maar 'n wippie wou nemen naar hoogere kringen, kon ie 'r wel vervloeken soms.
't Was de eenige pijnplek in z'n uitzuig-genietingen, En toch was ie bij anderen trotsch op Eva, trotsch op haar vlugheid, haar stil afdoen van alles wat ie haar op gaf, haar scherp wreken van verkeerdheden, haar strengheid en haar liefde voor kunst en