156
ie 'r maar aan, en zei bleuerig: Suus, ik hou zoo dol veel van je, en 'k wou dat 'k alles mocht doen voor jou, — en dat meende ie toen, Zelfs wou ie weer vroom worden om haar, want zij hield van ceremoniën, en ook hij. Met 'n vreemden weemoed in z'n berekenings-ziel, dacht ie nog altijd aan 't huisgeluk dat ie gevoeld had van z'n negende jaar af, als klein kind, bij al die vroolijke, joodsche feesten, met al dat licht, al die witte tafellakens en al 't fruit, dat tooneel-spelen, voordragen en zingen — want z'n vader was van goeie afkomst geweest. En toen ie later alleen had gezworven in Amerika, was ie zich gaan verbeelden èrg ontroerd te zijn geweest, eiken Vrijdagavond, als ie die grijnzende leegte om zich heen zag, dat ploeter-grauwe van eiken dag. Zoo voelde ie toen met Suus ook 'n gezinnetje te kunnen krijgen, waar ie diezelfde feestvreegde, dat opgeruimde gewemel, die verkneuterende, koesterende Vrijdagavonden chabbesrust, dat intieme bezoeken, babbelen en eten weer terug kon halen. Dat waren toen snelle weemoedsgedachten, die om z'n zaken-gere-ken heenschommelden, overblijfsel van herleefd jeugd-gevoel, verbroken in z'n jongelingstijd, waar ie thuis, belhamel, niets leeren wóu, en vluchtte als z'm niet lieten gaan. Toen was de gelukkige tijd gekomen, dat ie met Suze zou gaan trouwen. Maar als in 'n droom, verzonk z'n vizie van gezellige feestelijke joodschheid. Z'n poolsche kompagnon was weggeloopen met duiten en waar, had hèm 't zuur verdiende door dag- en nachtwerk bijelkaar geschraapte weggegapt. Z'n heele zaak stortte ineen; met nog véél schuld over, zat ie daar, getrouwd, 'n kind op komen, in 'n rampzaligen benauwden toestand. Z'n eerste gedachte was zelfmoord. Maar toen liet Suus zich van een nieuwen kant zien. Levie sprak ze moed in, zei dat ze samen knoopsgaten heel fijn zouden stikken aan schoenen en kleeren, en dat 't goed betaalde als 't fijn gedaan werd. Vewonderd had Levie' r aangekeken dat zij hèm, den energischen, duivel nog dood vreezenden Levie moed moest inspreken. Hij-zelf dacht dat z ij allereerst geknakt zou zijn, geslagen, dat ze vreeselijk zou mopperen, dat ze heel schuchter weg zou kruipen, grienend in 't donkerste hoekje van leed en zelfverwijt, en daar stond zij juist, vóór hem, zeggend wat er te doen was, richtend den koers van z'n bestaan, kalm en lief. Dat had 'm diep getroffen, en meer nog liep ie voor haar door 't vuur. Toen kwam eenige jaren later 't toeval, dat de Cornets weer in Amsterdam gingen wonen, en Bresser met z'n gezin mee mocht. Door Suus' mooi kopje, haar vlugheid en beminnelijke zachtheid, drong ze zich daar bij 'n paar families in, die haar 't diamantkloven zouden leeren. Met starre energie, nam ze Levie alles uit handen, verdeelde zich tusschen haar kinderen, huishouen en winkel. Net daarop brak de Kaap uit. Volleerd kloofster was ze heel gauw geworden. In korten tijd leerde ze Levie wat er te leeren viel. En toen dóór werd er geploeterd, bijna niet gegeten, niet gerust, in één geldkoorts, opstapelend verdienste op verdienste, tot Suus van uitputting niet meer kon, half dood te bed bleef liggen. Toen zette Levie alleen voort, wat zij