55
Stuk voor stuk had ie toch maar bijelkaar gekocht, eerlijk verdiend, met z'n eigen handen zich doodgesappeld zonder 'n uur rust, voort, voort, eeuwig voort, altijd in zaken. En waarvoor had ie alles gedaan? Voor z'n vrouw, en kinderen, en stand! Vooral voor z'n stand.
Bresser was eigenlijk 'n zwerver van z'n jeugd af geweest. Op z'n veertiende jaar had ie alleen in Amerika rondgezwalkt en 'n woelig, straatarm leven geleid. In z'n energische natuur geen rust kennend, altijd zoekend te verdienen, had ie zich daar op allerlei beroepen gesmeten, zonder iets te weten, zich ingeregen en uitgezet, verhongerd en soms dik gegeten, overal indringend met den durf van 'n gek, altijd maar loerend op vooruitgang en duiten. Voor niets te lui, van dat de zon aan den hemel stond, tot in den nacht, had ie geploeterd en geslenterd, geroepen, geschreeuwd, gesjouwd, gevochten, de vuilste werkjes opgelapt, zonder schaamte, berouw of klacht, in 'n woest-vreemd land, waar ie geen gezicht kende en eerst geen letter van de taal begreep. Toen, zonder dat ie zelf goed wist hoe, was ie op z'n twintigste jaar met vijf bankjes van honderd terug gekomen naar Amsterdam, op 'n noodbrief, dat z'n vader zoo ziek was, en 'm wilde zien voor ie stierf. Vreemd-veramerikaand, ver-bruut en inpikkerig, alleen gespitst op zaken en geld, stootte ie zich aan alles in 't joodsch-orthodoxe kringetje bij 'm thuis; alles knelde en benauwde 'm daar. Maar ook in Amsterdam had ie zakenafleiding, en was ie van alles blijven doen. Zoo had ie ook, bij zich thuis, 'n mooi, zwart jodinnetje, Suze Cornet ontmoet, dochter van 'n ex-juwelier, door beurs-spekulatie verarmd. Het heele gezin van Suze Cornet zou naar Londen gaan, om schandaal en armoe in Amsterdam te ontloopen, en Levie Bresser vroeg of ie mee mocht, daar z'n vader nog wel zoo lang kon liggen, dol verkikkerd as ie was op de mooie, zwarte Suze, met haar gloeiend-verliefde, donkere oogen. Thuis hadden ze eerst geprotesteerd, maar Levie ging toch, drong zich gedienstiglijk bij de familie Cornet in, meepratend over alles wat zaken betrof, alsof ie al aangenomen zoon was.
In Londen scharrelde ie 'r 'n beetje bovenop, na veel gebrek, vertrapping en ziekte. In de schoenen zette ie 'n eigen zaakje op, samen met 'n poolschen jood, 'n eersterangs werkman; hij verkocht al 't geproduceerde, bedelde, stal, bedroog en drong door, zonder kwaad hart, alles bekijkend als handel, waarin je dief moest zijn. Toen de Cornets 'm nu zoo flink de handen uit de mouwen zagen steken, mocht ie de mooie, slanke Suze hebben, die ook van hem veel hield, al begreep ze geen zier, vereenzaamd door de breuk in haar opvoeding, van wat voor haar, meisje van achttien, trouwen was. En Levie's berekenzucht kwam onder den verliefden kijk van Suze's schitter-zwarte oogen altijd in gevaar. Want bij haar voelde ie zich zoo zacht en zoo stil, als bij géén ander sterveling. Al z'n drukte en woordgespat bestierf op z'n lippen aan haar zij; dan keek
I. 12