152
straat herinnerde ie zich, dat ie naar d'r klein, blank pootje bijna niet had durven kijken.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Juwelier Bresser liep, met handen diep in z'n zakken, kin oüelijk op de borst gedrukt, machinaal-denkloos, langs den lichten tapijtrand, van ramen naar deur, telkens heen en weer, in koppig volhouend gebalanceer, afmetend met trippelpasjes 'n lichtlijn, mijdend in zacht lijfgewaggel, donkerder vakken van 't kleur-woelige kleed. De groote eetkamer duisterde koel in gedempt licht. Buiten zengde Augustuszon vensterbanken en ramen in kookhitte, schroeiend fel beblakerde jalouzie-latjes, die uitgereept-netjes voor drie ramen neergelaten waren. Als 'n akwarium-schemer zoog óp de kamer 't verkoelde middag-smoorlicht, dat zacht-schuw langs muren, om broei-meubels loomde. 't Groote eikenhouten buffet, in z'n grof pronkende, gebeeldhouwde kop- en vruchtstukken, kroop hoog tegen den muur, als 'n orgel in kerkschemer, met trillende verheffing van hekjes, kristallen spiegeltjes, waaromhéén ronddanst in flits en beverige lichtstrepen, gespat van kleur-vonkjes, spelend rondom kleine zuiltjes en pijpjes vóór spiegelglas, schietend langs lichtreten van twee jalouzieën, dóórfonkelend bij 't kroonstuk in booglijnen op hoogere spiegel-gale-rijtjes, waarboven pullen en potjes stonden te drenzen in'thalf-duistere hoek-kamerlicht. Zacht dampte 't buffet nog uit, in de koele kamer-schemer, z'n ochtend-hitte, toen volop de zon, in sidderstralen dwars over 't tapijt, z'n half lijf geroosterd had, vergloeid in zonnebrand, rond donker gevonk en vuurgeschitter van spiegels, zuilen, en kristallen galerijtjes, waarop Bresser zoo dol was; op dat hoog-prachtige verlichte van z ij n meubels, dat uitschieten van stralenbundels, dat krioelende hitte-getril van razend zonnestof, in zijn kamer. In donkere rust sluimerden nu de stoelen aan den muur en rond de groote tafel, die wijd-vlak sufte, met z'n bang versomberde, door schaduw-gril weggevlekte, uitgesneeën monsterkoppen en koperen ringen aan de kanten; dofte de kristallen, groote kroon, met acht-tienarmig kaarslicht, in mat géglans van duizenden prismaglaasjes in blankeren toonkrans rond den lampboog rijend. Loomige slaapstilte van verkoelde hitte-broeiihg suizelde uit de beduisterde kamer-diepten. In eiken hoek, onder getemperde tint-vloeiingen, spitste geel-mat traliewerk van ranke papegaaikooien, van boven omkoepeld met koperen dakjes. De wanden droomden, diep in 't weeke schemerlicht, dat zwaarder vervloeide achter duistere neerplooiing van overgordijnen. Nu en dan klakte uit de hoeken door de suf-stilte, 't tik-gewrijf van papegaaisnavels, tegen kooitralies; dan bleef alles weer verzonken in 't matte droomlicht, smorend-stil, schijn-koel, geel-duister drijvend achter de verdonkerde ramen, waar de kamer