Levensgang, eerste deel

Titel
Levensgang, eerste deel

Jaar
1906

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
212



i5i

En dan wou 'k, dat u 's meeging met me, dan zou 'k u late zien,... en u late hoore 'n wereld van mensche die u niet kent,,.. en dan later ga 'k met u weer 's mee, as u me mee wil neme,

naa 'n koncert bijvoorbeeld____ Eens heb 'k muziek gehoord... ze

hebbe me verteld dat 't toen van meneer Beethove was;... ik ken geen noot muziek, ziet u?... maar godallemachtig juffrouw, wat heb 'k dat mooi gevonde!... ik durf waarachtig niet ééns allemaal zegge, wat 'k toén gevoeld heb...

Hein had plots afgebroken. Z'n stem klonk bijna niet meer; hij hijgde, er was gesmoorde, ontroerde naklank van z'n geluid alleen. En Eva had zitten luisteren, roerloos, in gansche verdwijning van lachtrekjes. Ze had 'm nou 's gezien, Hols!

Wat 'n stuk vuur, wat 'n gloed, en heelemaal zonder opwinding, zonder pathos. Hij zei alles juist stil, in de laagte, gesmoord, verstikt in gevoel, waar anderen schreeuwden, ópstijgend tot klimax. Hij had onhandig, stotterend nu en dan gesproken; soms had ie zwaar gehakkeld en dan inééns ging 't vloeiend, vol. Ze vroeg niet eens waarom ie ophield. Stil bleef 't om haar heen suizen. O! ze voelde zich zoo ontroerd, en zoo droevig! Toen, langzaam, boog ze over de tafel, strak, met haar tangetje in de geslepen diamantjes schuifelend. Maar ze zag niets, niets dan gefonkel van kleine steentjes, in schittering voor haar opschietend.

Hein stond beteuterd. Hij wist niet goed meer wat ie gezegd had; alleen herinnerde ie zich z'n laatste vraag of ze hém dan meenemen wou. Toen ie nu, ontnuchterd door de stilte, om zich heen keek, zich voelde leunen tegen de brandkast, gevangen in dat deftige kantoortje van juwelier Bresser, dacht ie zich mal te hebben aangesteld.

Groote god, hóe heeft ie 't gedurfd, haar zoo iets vragen, die vreemde dame daar, de dochter van juwelier Bresser! Onrustig werkte in 'm de stilte. — Was ze gekwetst, juffrouw Eva? Zwaar zelfverwijt om al z'n gebabbel dreunde in 'm op. God-nog-toe, wat zal z'n baas zeggen, als ze zich wreekt op 't werk! . . . Maar had ze hèm niet gevraagd, heel dikwijls, al maar wéér?

Plotseling zei Eva zacht, midden in z'n onrust-gedenk, met zóó'n innigheid in haar zilver-stemmetje, dat ie 'r bleek van werd:

— Meneer Hols, ik wil werkelik eens met u meegaan, of bij u kome;.. . maar niemand mag me herkenne, . , . en u mag 't niemand zegge.

Hein voelde zich lam van geluk.

— Wil u dat heus ereis doen ? — vroeg ie zóó bedremmeld, dat z'm nauwelijks verstond.

— Zeker! ik dóe 't; .. . nu zal 'k 't werk nazien, en zeg uw baas maar, dat u door mij zoo lang bent opgehouê... Ik zal 't 'm wel vergoede met wat mooier werk, maar niets mag ie daarvan aan pa zegge!

Bij 't weggaan had Eva hem 'n stevige hand gedrukt, en op

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.