Levensgang, eerste deel

Titel
Levensgang, eerste deel

Jaar
1906

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
212



142

juffrouw Eva in dat besloten, kleine kamertje, had ie iets heescherigs uit z'n keel geschraapt van ״O zeker", en was ie in den hoek bij de brandkast, achter Eva, voorzichtig-stijfjes blijven staan, z'n hoed, dien ie midden op 't zeil gezet had in de eerste verwarring, telkens met z'n voet schuchtertjes tegen den rand achteruitstootend, meer den brandkasthoek in.

Nooit had Bresser 'm achter het hekje gelaten, en ook nu voelde ie zich gejaagd en beschaamd, bang dat de juwelier straks zou oploopen, 'm vragen wat ie hier kwam doen, buiten 't hek. Maar de kalme zekerheid, waarmee Eva al 'n paar maal 'm gezegd had te gaan zitten, gaf toch 'n beetje rust, minder angstgevoel straks beleedigd te zullen worden. Eva was bijna klaar met d'r laarsjes. Met 'n paar dikke pastelkrijtjes, krabbelde ze doezelig in 't ruig-blanke papier van haar schetsboek, telkens lichtvalletjes tusschen kreuken en rimpels op schoentjes in de teekening verfijnend, in drang tot verinniging van 'n sober stilleventje, dat ze liefhad om z'n herinnering, 't Waren de schoentjes van haar jong gestorven, dottig broertje, dat in teerheid, in kopje, in lijn, zoo op haar geleken, van wien ze alles teekende wat hij gedragen had. De schoentjes op de groote, zwarte sorteertafel die koud in 't licht stond, schenen gerimpelde ouê-vrouwen-gezichtjes, met afgejakkerd, uitgedroogd vel, en hier en daar 'n glimlicht op de verkreukte trekken. Ze wou er leven in brengen; al 't fijne geweef en gespat van licht op kreukjes en inzakkinkjes teêr opvangen en laten vloeien in de teekening; ze wou heel dat stille gevoel van die kleine knooplaarsjes vóór d'r, in hun uitgeloopen innigheid, op de teekening verdiepen, zóó dat er 't zieltje van haar broertje uit groeide, met z'n meevoelen voor haar, toen ie nog leefde, stoeide en solde op d'r schoot. Even voor Heins inkomen, had ze alles van zoo'n stemming angstig-lief in de schets vastgehouên, zooals ze elk stuk van hem teekende, met 'n heelemaal weggaan in atmosfeer, werkend met lichte krasjes en streepjes, dat als fijn gepeins door 't zachte gekleur liep, alleen óm haar voelend 't kleine, verjoelende leventje, dat nu stil was, voor altijd wèg.

Ze merkte dat Hein nu en dan even 'n glunderig-bang kijkje in haar werk gooide; ze voelde 't, en ze kón niet meer. Ze zou maar ophouên, z'n werk vragen, en onderwijl zoeken naar 'n beginnetje om Hein los te krijgen. Maar dat zoeken en loskrijgen wou ze verbergen achter 'n slordig vraagtoontje, heelemaal uit 'n anderen hoek van haar gevoel.

Plots zilverde óp haar stemmetje, luchtigjes de stilte dóórklinkend:

— Meneer Zeelt zegt me, dat u zoo'n idealist bent... is dat zoo ?

Direkt voelde Eva de onhandigheid van haar begin, 't stijve,

schooltjesachtige gevraag. Hols verschoot van kleur.

— Idee-alist juffrouw ?... ja... wat meent u ?

— Nu ja,... idealist,... 'n groot woord,... ik meen dan meer, iemand die altijd droomt van dinge die toch nooit gebeure zulle.

Sip keek Hein voor zich; wat moest ie eigenlijk antwoorden ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.