140
beklemming, stijgen tot de rijpste spreekvrijheid, die ineens openspleet z'n natuur, in z'n dubbelen kronkel van satanische zielsgisting en kinderlijke weemoedsliefde. Bij 't kouê gepraat van Zeelt, 't berekende gedraai van z'n woorden, werd Hein wild, dwepend, met de sterkere verhitting van al z'n voorstellingen en droomen. Al wat Zeelt 'm zoo leerenderwijs wou vertellen over vorming van vroegere samenleving, over voortbrenging en groei, wist ie. Dat gegapt-ge-leerde, zonder 'n aartje gevoel ertusschen, lesjesachtig ingestampt, verachtte ie om z'n dorheid. Zelf had ie óók brandend doorleefd in z'n verbeelding, die vroegere vormen van bestaan en leven, en nooit zou z'n haat tegen de beschaving, of wat daarvoor doorging, juist zoo diep en geweldig zijn, as ie dat niet doorgrond en gekend had; maar stil voor-zich-zelf, op z ij n manier aansprekend en levend in zijn verbeeldingsbeweeg. Ook hij begreep, dat 'n wijziging in de voortbrenging, 'n harmonische regeling van arbeid, beter leven bracht, maar dwang, baasje-spelen onder 't praalwoord: ״gemeenschap" kon ie niet luchten, wou ie niet, nu niet en nooit.
Zeelt had, moe door 't heen en weer gedraaf van meeningen, gezegd dat ie daarop niet meer zou antwoorden; dat Hein, als uitzondering wel, 'n door en door oprechte, zeer gevoelige, maar verdwaalde proletariör-anarchist was; en ie niet alleen uit woorden, maar ook uit z'n meevechten, in de-bres-springen overal, begrepen had, hoe alles écht in 'm leefde, maar toch z'n kijk op menschen en dingen valsch was; dat ie maar doorsloeg als droomer en fantast, met 'n warmen kop en 'n warm hart tegelijk; dat de socialisten, als kenners en begrijpers van de werkelijkheid, zooals ze was, overal om hen, toch pas de idealisten waren, praktisch allereerst; die alles grondden op 't werkelijke in maatschappij en individu; wien al het gedroom, gezwets van moed en nog eens moed knapjes verveelde, en al 't held-geleuter, dat gedachten-gestoei zooals de ge-voeligsten onder de anarchisten dat uitflappen, eigenlijk hun kouê-kleeren niet raakt. [En toen Hein met Veeges was komen aanzetten, had Zeelt geschaterd, op z'n frazen-moed gewezen, en gezegd, hoe tusschen Hein en dien man tenminste dit innige verschil bestond, dat Hein verteerd werd door gevoel, z'n diepe, snakkende jeugdliefde, z'n ziel zengend van hitte-hartstocht, die smachtte in 'm, en in Veeges den anarchist, alles berekend, kunstmatig was, valsche opwinding, kunstmatige woordpraal, kunstmatige hartstocht, 'n steenkille natuur, hard, wreed, hondscher dan de schokkigste bourgeois^
Inhamerend z'n woorden, had Zeelt 'm verder gezegd alles kalm te overdenken, en dat ze elkaar nog wel eens zouden spreken. Zoo toevallig had ie 'm te verstaan gegeven, dat ie met juffrouw Eva ook strijd voerde, net als met hém, maar die weer heel anders tegenover 'm stond. Dol verlangend was Hein inééns, te weten wat ze dan wel dacht; maar Zeelt had 'm koeltjes gezegd, dat ie haar dat zelf maar eens vragen moest, dat Eva volstrekt niet trotsch was, heelemaal niets had van 'n rijk vertroeteld nufje, integendeel