139
voelde ie niet zoo diep en schokkend als hij, de heldhaftigheid van die reuzen, mannen, menschen, die daar in de darmen van de groote stad, met twee cirkels vijanden om zich heen, bleven vechten, zich lieten neerschieten, éen voor éen; dwars door de vuurmonden heen-rukten ; vochten met leeuwenkracht, taaie stoutheid van tijgers; zoo maar door de vlammen heendrongen, onder instortende vuurbrokken, onder een nachthemel van gloed; eindelijk teruggedrongen, saam-gepakt, neergehakt weer en uiteengescheurd ? Waarom zag ie niet, als hij, die stad van rook en vuur daar, opwalmen uit 't verleden, met den gloed-walm van duizenden arbeidersgezichten achteropgedrongen in hun martel-moed, onder den brand-schijn van 'n bloedhel, bespoten met licht, vechtend tot den laatsten snik, achter de druipende barrikade, in één goddelijk gejuich van vrijheid? Was dat niets, heelemaal niets, allemaal pathos en tirlantijntjes ; was dat niet buiten wet en buiten regeering gegaan? Toch zóó uit de ziel der proletariërs opgedonderd! ,En waren er geen vrouwen, mooie vrouwen, vrouwen -met zielen van haat en toch liefde, die daar. in den hevigsten brand, rondduivelden met petroleum, 't likkende vocht, dat in z'n vreeslijke weerschijnen heengolfde over gebouwen en muren, alles zettend in helle-gelaai van vuur? En hadden die óók niet gevochten voor 'n ideaal, voor verbroedering^ O, die ie zélf zoo heilig voelde. En waren ze niet allemaal uitgemoord, zonder kracht eindelijk tot verzet, aan stukken gehakt, weggedrongen naar dien schrikkelijken angstmuur van 't kerkhof? En heeft de Kommune niet laten zien dat de arbeiders alleen, alles, alles kunnen, als ze maar bij elkaar blijven, ook bij verschil van meening soms?
Met gloeiende extase, in fellere, dieper-dringende aandoening, had ie Zeelt weer gevraagd, of hij niet de grootheid van die martelaars zag, van die strijders, en niets van hun krijgszang hoorde, en óok vond dat men maar moest neerzien op de opwinding van hun daden; of ook hij behoorde tot de lui, die kalmpjes, van uit de hoogte, al dat gevoel bombast noemen, droomerijen of fan-tazietjes ?
Toen had Zeelt 'm geantwoord, tegen den spattenden golfslag van z'n laai-hartstocht in, kalm, met drukkende, ingetoomde bedaardheid, dat ie 'n fantast, 'n dweper was; dat ie op die manier geen sterveling kon laten voelen, wat er voor edels was in al die vernietigingsplannen van de anarchisten. Want al die Kommune-mannen waren toch ook eerst uitgegaan van doorwerkte politieke ideeën, van georganiseerde verhoudingen. Nuchterder liet Zeelt 'm voelen, hoe zij juist op vreeselijke wijze bewezen hebben, dat tegen de kapitalistische macht, zooals ze nu is, niet te vechten valt met wapenen, met vuisten, met petroleum, en nu door hun misslagjuist mooi uitgekomen was, hoe men martelaar, maar daarom nog geen hervormer kan zijn.
Toen was Hein weer kribbig opgevlogen. Hij, zich in 't leven voelend schuchter, benauwd, hij kon, losgebroken eenmaal uit z'n I. ii