Levensgang, eerste deel

Titel
Levensgang, eerste deel

Jaar
1906

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
212



125

wou, klonk z'n stem niet. L Hij zei wat, schuchter, maar 't heeschte onhoorbaar wegj Eva had hém weer aangekeken, overmoedig. Ze had meelij met dien sterken, brutalen, toch bleuerigen jongen. Ze zag in 'm die worsteling tusschen gêne en echtheid. Ze voelde inééns z'n bedeescheid en zachtheid, door 't sarrende gelach overgeslagen tot uitbarstende ruwheid. Ze vond 'm dan ook duizendmaal sympathieker dan al die zwelgheertjes om haar heen. Veel sympathieker zag z'm daar staan, in z'n lange schonkigheid, z'n hooge schouers, z'n diep-kuilende oogen, waarover de leden lijnden in strenge kracht. Ze had 'n gevoel dat z'm wilde beschermen tegen dat rumoerige lawaai der klovers, ook als ie ongelijk zou hebben. Want dat iedereen-maar-in-'t-ootje nemen, dat holle gespot, dat viezige van hun doen, hinderde, stuitte haar vreeselijk, al lang.

Eindelijk had Hein weer z'n geluid losgeschord uit schokbedwel-ming. Zacht hokte z'n stem:

— Als 'k me in u tegewoordigheid ongepast heb gedrage juffrouw, dan vraag ik u exkuus...; van maniere weet 'k niet veel, ik ben maar 'n versteller... Toch wou ik me niet lomp in u bijzijn gedrage, heusch niet juffrouw... Maar die man daar heeft me gesard; alleen door z'n laffe pret heb ik me vergete.

— Maar jij motje niet vergète!... dat geeft geen pas! — klonk plotseling achter 'm 'n ruw spottende stem.

Juwelier Bresser in eigen persoon, vol praal z'n snor oppuntend, met vooruitgesteek van dikke onderlip, scheelloerend naar de punt-krul, was binnengekomen met neef Rozijn achter zich aan, die, woedend op Eva, z'n oom even was gaan halen en in 't nadeel van Hols snel 't grapje verteld had.

Hein keek om; zacht voelde ie zich schrikken toen ie den patroon zag. Bedremmeld, verbleek end, wist ie 't eerste oogenblik niet wat te zeggen. De klovers triumfeerden. Grof klonk weer geroep, met 't oüe honende gelach en gesar van jij-en-jou.

Maar plotseling was Eva opgestaan. Toen ze haar vader zoo ruw Hein hoorde aanvallen, voelde ze zich gekrenkt, omdat ie niet wist hoe alles toegegaan was. Direkt begreep ze dat Rozijn hem had gewaarschuwd. Ze haatte dien dikzak, die haar altijd deed walgen van z'n misselijke liefdesverklaringen. Aan z'n huichel-glad gezicht zag ze dat hij Bresser erbij geroepen had. Nu zou z ij voor Hein antwoorden.

— Pa, ik had liever gezien dat u 't mij had overgelate, ... ik geloof dat meneer Hols . . .

— Menéér Hols !.. . pardon . .. zeg maar Hols! ■— spotte Bresser ertusschen door.

— Menéér Hols — vervolgde Eva klemmender, — wat driftig, maar oprecht heeft gehandeld. — Fijn slankte Eva op. De boezelaar van haar bak was met de punt aan 'n japonknoopje blijven vasthaken. Als 'n schort, blankte 't witte doek op haar effen zwarten rok, die in statigheid van fijne stof rijk neerplooide.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.