124
— Maak jij je niet zoo dik!... dun is de mode!... f'rbeelding is erger dan de driedaagse koors!... wat 'n branie,... nogg!...
Wie bin jij wel ?... de khoning ?____en he je mijn niet eers aan-
gevalle ?
Hols voelde weer diep dat minachtend ge-jij. Als door 'n gloei-pook aangetikt, viel ie uit:
— Jij heb niks te jije, kerel!... ik laat me door jou zoo niet aanspreke, versta je ?... En al vliege jullie allemaal op me an, ik zeg dat je 'n aarts-onbeschofte beroerling bint, om op mensche van mijn soort neer te kijke en voor de mal te houe!... Maar dan vergis je je leelijk!... als andere van je grappe gediend zijn, ik niet!... ik sla je liever dat de veile d'r bij neerhange kerel!
Rood hield ie op; hij voelde zich meegesleurd door z'n drift, door dat heete gewoel in 'm, omdat ie weer dat minachtende zoo sterk gevoeld had. Toch begreep ie dat ie te ver was gegaan.
Alle klovers en snijêrs waren nu uit hun luierhouding opgesprongen. Woedend beloerden ze Hein.
— Wat 'n lèf, mompelden ze doorelkaar, — hij maakt en breekt 'm!
'n Ineengedrongen, dik, klein klovertje, met fantazie-hoed losjes op z'n achterhoofd, aansluipend in zacht geloop van slob-kousen, kwam kort-dwergend naast 'm staan, 'n Beetje ontdaan, keek ie naar Hein öp en zei dollend-ophitsend, onder zenuwachtig lachen:
— Waaragtegesrot, ü het gelijk;... uw slagt mijn wat... voorwat mot u u, en hij jij zegge?... wat e narrichkatt! — Hein voelde dat ook h ij 'm in 't ootje nam. Maar rechtuit keek ie naar Eva, die haar tang had neergelegd. Streng zei ze, in schittering van prachtpupillen:
— Ik vin jullie allemaal onuitstaanbare lui. Waarom wille jullie je toch altijd zoo verwaand aanstelle ? .. . Heel veel bizonders is 'n klover toch óók niet... Ik vind 't volstrek niet goed dat meneer Hols zóó opstuift. .. maar jullie begint, jullie sart 'm en houê 'm voor de gek... En nü zeg 'k't voor 't laatst, ik duld in mijn bijzijn die zinnelooze pret niet meer, ik duld 't niet!
Zacht kleurde haar fijn gezicht. Een éven bleeke drift-trek trok haar prach'tmondje scheef; haar groote oogen glansden in 't zacht brons-dauw van fluweelen pupillen; de lippen trilden na, licht.
Ze stonden versteld. Zoo strak en streng hadden ze Eva nog nooit gezien. Wel wisten ze allemaal, dat ze 'n erg ״excentriek" meisje was, maar dat ze plots zoo voor dien vuilen versteller partij kon trekken, begrepen ze niet.
Ook Swarthuizen stond verplet, en Hein keek inééns, gloeirood van verbazing, haar aan. Hij duizelde; hij voelde zich alsof de boel onder 'm wegdraaide; geen woor^L kon ie meer vinden; ze had 'm weer beschermd, gelijk gegeven. IJIaar wondere, metaal-heldere stem klonk nog in 'm na, als 'n zilveren wegje van geluk door z'n ziel slingerend. < Nooit had ie zich zóó heerlijk gevoeld. Toen ie spreken