I 139
Plots golfde over Mieriksteins arm 'n bruine stroom, met stukken van de vijftiende bole uit Leppers mond. Doodsbleek liep ie in 'n vaart 't kringetje uit naar de keuken, met razend gejuich achter hem aan van mannen en vrouwenstemmen, uitbarstend in wilde lol tegen elkaar.
— Verlore, verlore! schreeuwde de Rog, die als dol in 'n klein kringetje danste en stampte op den grond. Tranen glommen z'n oogen uit; in 'n vaart liep ie naar juffrouw Zwaai, om haar de twee rijksdaalders uit de hand te trekken.
Geen sterveling bekommerde zich om Lepper; alleen klonk gejuich en gelol om z'n verlies. Zeelt had, door 't lawaai opgeschrikt, den afloop gezien. Zoo'n dierlijke verwildering om 'n paar gulden had ie nooit bijgewoond. Wel was 't hem verteld van andere winkels, maar nooit had ie zich zoo'n beestachtigheid, zoo'n zwijmel, zoo'n dronken hartstocht kunnen indenken. En nou gebeurde 't voor z'n eigen oogen. In zich zelf voelde ie 'n diepe schaamte; hij keek ze aan, allen, vrouwen en mannen; hij voelde zich wee worden, dat hij daar zat tusschen zoo'n bende netjes gekleede lui, maar eigenlijk dieren, vuile, vernielende, inlage zwijnen, die hun begeerten rondtolden tot razernijen. Toch zou ie zwijgen. Alleen vond ie 't gelukkig, dat ie den laatsten tijd in z'n vak karakters had ontmoet, die net zoo sterk walgden van 't hebzucht-gekliek, 't bestiale, on-vereenigde bij de lui als hij.
Juffrouw Eva was weer boven gekomen, en zat op haar plaats werk na te kijken. Om haar heen stond weer 'n wacht van klovers en snijêrs, met erbij lui die allang geleverd hadden.
Juist kwam Hein Hols de trap op, om te leveren voor z'n baas en nog wat lapjes te laten rondisten. Pal keek ie op de manne-ommuring van klovers, zonder Eva te zien. 'n Oogenblikje voelde Hein zich 'n beetje bedremmeld, want allang wist ie hoe de lui bij Bresser erop uit waren, ieder vreempje ervantusschen te nemen.
Zacht ging ie door, gegeneerd; hij voelde zich zelf loopen in stijfjes gesleep van z'n been en raar zenuwgetrek van z'n arm, naar de tafel waar juffrouw Zwaai zat, om haar de rondiststeentjes te geven. Swarthuizen hield 'm aan.
— Hé Hols!... Hols heet je, nie?... Wat mot je?
Hein draaide zich om naar den vrager. Zwart-mal van de fabriek de straat oploopen, deed ie nooit meer, daar had ie gloeiend 't land aan. Ze konden 'm dus niet uitlachen; en toch hoorde ie, bij die doodgewone vraag van Swarthuizen om zich heen sarrend, spottend gegiegel, met iets uit-de-hoogte-vijandigs tegen hém. Bedeesd, in nog kalme bedwinging van drift en schaamtegevoel, zei ie kort-droog:
— Ik moet bij u niet zijn... wel bij juffrouw Zwaai, om te late rondiste. — 't Oüe lolletje woüen ze ook met hem uithalen, verwarring wilden ze zien; Swarthuizen wou 'm verlegen maken, ״an die lange goj, an die stijwe hèin." — Lacherig-onduidelijk zei ie