iog
)Toen sloeg ie dicht z'n boeken, en stopte, 't Sloeg elf uur buiten. Roerloos zat ie de bange klankvracht van verre torenklok af te wachten. Donker galmden de slagen tegen 't raampje tot 'm door, achter de open binten; hij voelde slaap. De plank zette ie achter z'n bed, 't lampje op den vloer. Tuimelende brandschijn gleed over den grond. Donker-lang stond Hein in z'n hokje, dat door 't verzetten van licht zich als omgedraaid had in hoekige beweging van schaduwgekaats. Er kwam iets spookachtig-kils aanvloeien achter 't raampje, zwaar verlengden de schaduwen zich tegen uitbalkende zoldering op, met verreuzing van Hein's gebaren. Zenuwachtig snel had ie zich uitgekleed, — gauw 't lampje naar zich toe trekkend; dan, met één blaas,... uit was 't. Een zwart-stikkend duister loerde om 'm; zacht grabbelend schuifelde ie den hoek in naar 't bed. Ijskoud voelden z'n dekens aan. In koester-kronkeling van knieën tot aan z'n borst, met handen weggemoffeld onder één oor, viel ie onder woord-geduizel van z'n lessen in slaap. )
II.
Op den snij- en kloofwinkel van juwelier Bresser klonk zwaar geroezemoes van stemmen, 't Was Vrijdagmiddag, centen-dag. De meeste klovers waren ״af״, en zaten nu, na eenige doodstille, afgejaagde werkuren, in baldadige óvervroolijke afwachting, met zenuwachtige schokjes van angst voor 't leveren, verlangend geroepen te worden. Onder 't woelige stemmen-gepraat klonk toch ingehouen bedeesdheid, getemperde pret. Bij erge lol keken ze allen even eerst naar de plaats aan de groote tafel voorop, naar Eva Bresser, de patroonsdochter.
In zwart-zijden blouse, los geplooid, met 'n snoer bloedkoralen om haar hals, zat ze, gebogen, 't werk van Lepper en Swarthuizen na te zien: met fijn vernikkeld tangetje, puntig, de kapjes op wit velletje papier sorteerend. Achter haar stond, gebukt over 't papier loerend, Lepper, scherp Eva's licht tang-beweeg volgend. Naast hem stond Rozijn diep met 'n vinger in z'n neus te pulken, met zwaar, ongegeneerd gezichtsverwring, 't vuil op vingerpunt bekijkend. Daaromheen groepten eenige knechten in fluisterend of mompelend gepraat.
Aan de eerste tafel, bij de deur, zaten ze in lui gerengel over hun bakken, met ellebogen vér naar achter, voeten spelend op leege banken, wachtend op ״lever-beurt״. Soms klonk helder 't metalen stemmetje van Eva, als ze opkeek plots, uit volle aandacht, van papier.
— Wilt u aan die steentjes nog iets doen, meneer Lepper?
Lepper, verbaasd-woedend, dat ze'm lapjes gaf, legde de kapjes, zonder ze na te zien, op z'n bak. Nog spannender nu, met brutaal verzet in z'n gezicht, volgde ie 't zachte geschuifel van haar glin-stertangetje op 't blanke papier.
Soms loeide zwaar 'n gaap achter haar aan van langwachtende, ongeduldige klovers.