Levensgang, eerste deel

Titel
Levensgang, eerste deel

Jaar
1906

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
212



105

Toen gaf ie 't joodje 'n vloek-trap onder z'n buik, uit gift op 'm afstormend. Het ratelde vloeken, geholpen door de lach-slijpers, die zich verlolden om 't hanegevecht in 't halfdonker, en dolgraag de twee potjongetjes aan 't ranselen wilden zien. In kronkel van been-en armgelcnel hadden ze elkaar te pakken, 't joodje half met z'n rug ingedrukt tegen de verstelbank gekneld.

— La uivechte ! ... nétjes soo! .. . sla jelui sig op de sodemieterr, datt'r g'n stuk van heel blijft! — riep een knecht vol opwinding. — Hier! .. . laserstraal 'm die pot mit water over z'n sodemieter .. . hier, twee potte!

Toen plots stormde de baas van 't kristen potjongetje er tusschen, die eindelijk de herrie hoorde, nadat ie driemaal om schoon wasch-water had geschreeuwd.

— Stéék de sodemietermoord, bi-jelie besódeflikkerd, ga jelie sich buite afrosse, maar hier niet.. . afgelazerd tuig.

Bij z'n schouder had de baas 't kereltje beetgepakt, van 't vloek-spugende joodje afgetrokken en meegesleurd, 't portaal in. Toen liep 't joodje nog even gauw terug, en galmde met handen aan z'n mond, over de leuning, 'n lachenden sar-vloek door 't donker:

— 'n Chtèrtsing in je hééle familje, mamzer-binneniddë! 1)

Sufferig onder eigen denk-getob, was Hein met z'n baas mee de

straat opgegaan. Die was heelemaal geen sociaal, maar ieder liet ie doen wat ie wilde, als 't werk maar goed was. Voor den korten tijd nog dat Hein leerde, was z'n werk uitstekend. Wel langzaam ging alles nog, met niet veel routine, maar wat ie deed was goed. Daarom kon 't z'n baas geen zier schelen wat Hein dacht en wilde, als ie z'n werk er maar niet door bedierf.

Vandaag had ie Hein wel erg verstrooid gezien, afgetrokken. Dat hinderde 'm. Hij die anders, als ie op dreef was, over alles wel door kon slaan. Ook nu liep ie naast 'm, zonder 'n woord te zeggen. Bij de Damstraat ging de baas de Nes in, Hein rechtuit, en onder 'n losjes ״g'dag" van twee kanten, droog aanklinkend, liep ieder recht voor zich uit, z'n weg op.

Thuis at Hein heel haastig, wat Liesje 'm op de tafel, kaal op hout geplank, voorschoof. In vijf minuten was Hein klaar. Zelf betaalde ie de olie van 'n nachtlampje, dat ie eiken avond mee naar boven nam. Ook 't lampje zelf had ie gekocht. Lies had 't al voor 'm klaar gezet. Fel stond 't naast 'm op de tafel te branden, met 't licht inzuipend gegloei van 't glazuur-zilverend kwik-reflektortje, dat ie apart had gekocht. Lachen van pret deed ie, toen ie 't daar zoo schitterend, in heet-licht-getril zag blakeren, onder den zwak-treurenden lamp-lichtval in 't somber achterkrot. Na Liesje wat gezegd te hebben in zacht-warm gepraat, was ie met 't brandende lampje 't gangetje doorgesukkeld. Even, achter de deur, bleef ie in de grauwe slopduistering roerloos, als half belicht blok tegen

Hoerenkind van 'n getrouwde vrouw.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.