io3
wilden goudschijn van hoeken, onder alomme duistering en geschaduw van avond.
De verstellers, met hun gezichten naar de diep bewasemde ramen, dreven in felleren lichtgloed, in sterke uitstrooming van gloeiende kijklichten, pal rood-brons op de koppen, in verwildering van trekken, zittend hoog, tegen den bankrand, woester verbronzend, als aan-vlamden naast hen al de dop-pitten in cirkelende vuur-eitjes van licht, achteruitstaand in mysterieuzen kaats-gloed op rugbrokken van slijpers.
Boven hen dreef kil-lichtlooze schaduwing in gedoezel van avond-vage wand-atmosfeer, in vreemd wordend balkgestapel onder nacht-geduister, grooter alles uitlijnend, als vergroeid tot tastbare schrikvormen, in hoog-diepe vèr-affe onbekendheid van punten en hQeken, zoo plots gekropen uit schemer van fabriekssombering.
Zwaar in koren hadden juist de mannenstemmen geklonken, in scherp gezang uitscheurend boven machinedreun, als stoeiïng van wilde stemmengolven, in samenzang dwarrelend en woelend onder hoog angstig geschaduw van zolderenden fabrieksnacht, toen hei-hevig bengelgeklank dreun-galmend uit de duistere diepe benedengangen ópluidde; eerste vreugdesein dat de machinist ging stoppen.
Hein kreeg juist order van z'n baas om morgen bij juwelierÏJresser te gaan leveren en te laten rondisten. Bij hém moest ie morgenochtend maar even de partijtjes komen aanhalen, want vroeg kon ie niet komen. Hein al maar klankloos ״ja" zeggend, onder 't gespreek van z'n baas, in zwaar hoofd-geschud, zat nèt even 'n krant in te zien, omdat ie toch zooveel doppen vóór was. De baas zag 'm niet, sprak met z'n rug naar 'm toe, onder sterk gekrijsch doorwerkend in haast. Daar nét zou voorgoed stopsein galmen en de machine stilstaan. Hein pakte, met radde, jolige hulp van den potjongen, de doppen al bijeen voor z'n baas. Den heelen dag had ie 't hoofd niet bij 't werk gehad. Juist had ie nog eens overgelezen 't verslag van 'n vechtpartijtje en de gemeene mishandeling van 'n paar revolutionnaire socialisten en anarchisten door de politie, in 'n opstootje waar ie zelf bij geweest was. Ze hadden bij 'n kerel 'n oploopje gemaakt, en den man 'n ironische ovatie gebracht. Door de politie was vreeselijk geranseld, en 'n kennis van 'm, Tom, die 'm had meegenomen, 'n dwepende voorvechter, had van 'n paar smerissen, met 't bot van de sabel, 'n hak tegen z'n kop gekregen toen ie eenmaal over 'n paar steenen gestruikeld was en machteloos op den grond lag. Nóu was ie 'r zelf weer eens bij geweest; zelf had ie meegevochten. Hij had helpen steenen uit den grond opgraven; heerlijk — Maar op 't laatst werd de heele stoet uitelkaar geranseld, en dooréén hollend, waren ze wild gevlucht in straten bijzij en achter openstaande deuren. Telkens waren ze teruggekomen, en telkens weer uiteengepatst. Wat ie gevoeld had onder 't vechten, meeloopend wég en opnieuw aanstormend met den stoet, was beroerd vernederend voor hemzelf en voor de anderen. Dat vervloekte