Levensgang, eerste deel

Titel
Levensgang, eerste deel

Jaar
1906

Druk
1908

Overig
4ed 1908

Pagina's
212



02

— Zeg Leman, zijn d'r nog taartjis overgebléwe?

De lol met den roomhoorn was door allen vergeten na den schrik met Monsdorff.

In half idioterige wezenloosheid, zacht grinnikend, kwam Leman Zuur met de doos voor Mierikstein staan. Stil lagen, gestrekt en rond, nog roomhoorn en telefoontje naast elkaar.

Handig pikte Olieman er 't telefoontje uit, voor Mieriksteins neus. Voor hèm alleen bleef nog de roomhoorn. In gauwgepeuzel klodderde ie 't vet-ding naar binnen.

Even nog bleef Leman zuur staan; toen, ziende dat Mierikstein 'm heelemaal ophad, nasmakkend met z'n beroomde lippen, grinnikte ie onder zware rimpeling van voorkop:

— Die was nou vol mit sjnot van mé neus; die hét d'r op gezéte! —

Dol sprong Mierikstein op; stuitingen en oprispingen onder zware walging borrelden z'n mond uit; met vinger in z'n keel, probeerde ie te braken.

Gauw was Leman achteruit gesprongen met 't deksel in z'n hand. Allen lachten weer dooreen, omdat Leman zich zoo gemeen gewroken had.

ZESDE HOOFDSTUK.

Zwaar hijgde ademhaling van machines door de donkering van fabriekskamers. In doffe dreuning gonsden stemmen langs duistere kruis-portalen. Koperkleurig vlammenbrons kaatste 't kijklicht van molenkasten op de schijven, bronzig-goud, in vlekken verlichtend halve brokken gezichten en handen van slijpers. In fel gegloei toortsten de gasvlammen en kijklichten van verstellers boven koppendonkering uit. De kleine, vierkant verhakte ruitjes in de groote ramen, flankten hoog uit, boven vervaging van kromme huizengevels aan overzij, met brandende opzuiging van 't bronzig geflambouw der verstelpitten. Aan weerskanten van werkkamers sidderden dreuningen in verdoovenden rythmus onder rompendonkering doorschokkend. De zwarte pijpassen en licht-spakige drijfriemen, middenin, grilden vreemd in gluipend lijnengewarrel, als inééngestort mastwerk van scheepsrompen op den duisteren, trillenden grond. Schaduw-zware uitholling van hoeken en vlakken, als bewasemde nissen in nacht, waar vaag uitstommelden, tusschen houtige binten en kruislatten, been- en laarsbrokken van slijpers in halve broekdonkering, als afgesneön lijfstukken bengelend en hangend onder hoogen molenrand. Vanboven vlamden de lichten in toorts-rossige wildheid, diep kruipend gevlek in doezelig geglij van bronsgoud langs dof metalen zilvering van schijfkringen.1 Allen zaten ze nauw, opgesmoord tusschen hun molen, met half bevlamde gezichten, in weeken, soms

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.