godsonteering.
en tusschentinten, van alle instrumenten onderling. Verrukkelijk doorvoelen liet eigene en geheimvolle klank-wezen van ieder instrument afzonderlijk. Daaruit ontstaat juist het coloristisch-instrumentale wonder. Als ge dat niet heel sterk en heel machtig doorleeft, dan mist ge het diepste muzikale genot. Een trombone is een levende stem, een tuba is weer een donkender levend geluid; een fagot heeft klanken van de hoogste dramatische symboliek; een hoorn kan goudlicht tooveren, een hobo heeft de kleur der in parelenden ochtenddauw uitdrijvende elegie. En door het geheim van toon en het geheel eigen klank- en kleur-leven te kennen van èl de instrumenten af zonder lijk en hoe zij, met harmoniseering, contrasteeren of saam-werken, leeft het instrumentaal coloriet van een mu-ziekschepping, waarnaast het gevoel voor de poly-phonie, de lijn-figuratiën der thema's en melodiëen gelijkelijk ontwikkeld moet zijn.
Instrumenteeren is dus de klank-kleur der instrumenten in werking zetten of doen saamvloeien. — Orchestreeren lijkt mij nog iets anders. Bij instrumenteeren zijn klanken van fagot, viool, fluit, bas, klarinet, alt, doorelkaar heen zingend, zich verwevend met midden-stemmen en melodie, afzonderlijk tegen of mèt elkaar gevoeld. Bij orchestreeren is de som der klankkrachten, van alle violen tezaam, of alle cello's of al het koper, de alleréérste gevoels-berekening. Instrumenteeren is het contrasteerend of sèAmvloeiend aanwenden van de kleur van ieder instrument. Orchestreeren is het rangschikken van de saawwerkende krachten dezer klank-kleuren tegenover elkaar als partijen. Strauss b. v. kon prachtig instrumenteeren en toch soms zeer zwak orchestreeren. Zoo kon hij de blazers tegen de strijkers zetten in een zoo zonderlinge en het thema verzwakkende klank-verhouding, dat ieder orchestraal besef schijnt te ontbreken.
Zulk orchestraal besef is er ook in de schrijfkunst.
232