GODSONTEERING. 231
Uit de psychologie van het taal-impressionisme zou treffelijk kunnen worden aangetoond, hoe groot nog de verwantschap is tusschen woord-muziek en z. g. instrumentale muziek.
II.
Bij de meeste schrijvers beperkt zich nu het voelen van klankwerkingen tot eenzijdige woordkunst. Een dichter zou natuurlijk geen dichter wezen als zijn verbeelding en zijn gevoel niet alles wat in de taal leeft er uithaalden. En toch is daarmee nog niet het muzikale element in zijn werk geboren. Men kan het ervaren in het werk van Verwey en bijna alle jongeren, ook in het werk van mevrouw Holst en het latere van Gorter. Taai-technisch zijn de middelen er wel, maar het oorspronkelijke canto leeft niet in hun ziel. Het muzikaal £mgende woord is nog heel iets anders dan het sensueel-zoet klankgeruisch van rijk rijm en rijk rhythme.
De zuiverste en meest rijke melodiek van het woord, nadert van zelve ook de diepste gedachten en de machtigste verbeeldingen. Nu en dan gaf Shelley dat lyrische canto, maar nog veel verhevener en magistraler van rhythmische bewogenheid en woordbouw, Dante en de éérste, de groote Hebreeuwsche propheten. Het instrumentaal-proza bereikt bijna dezelfde schoonheid als die van den gebonden vorm, want het voert óp de hoogste schoonheid van den taalklank, met de uiterste muzikale fijnheid en doorwerking der klank-verhoudingen, en geeft tegelijkertijd ook de geluid-nabootsende en muzikale kleur- en klank-mengingen van het woord, zuiver instrumentaal.
In de muziek is altijd vaag onderscheiden het wezen van orchestratie en instrumentatie. De instrumentatie, is het hooren der klank-verhoudingen, in alle graden