228 GODSONTEËRING.
den tot vaste begrippen zich zelf omzettende bewuste deel van ons innigst wezen. Zoo voelt een zuiver werker aan ieder woord, aan plaatsing van klanken, groepeering van zins-deelen, aanstemming van vocalen, aantrilling van consonnanten, saam-brenging van woordaccoor-den, en het natuurlijk doen werken van toon-timbre, resonnance en alhteratiën, of een schrijver in zijn taaltechnische vakroutine ook inderdaad een muzikale ziel heeft. Muzikaal schrijvenden nu zijn in onze literatuur zeer zeldzaam.
Er zijn zeker goede schrijvers met veel taal-tech-niek, met zeker superieur uitbeeldings-vermogen, met knaphandige begaafdheid in het lyrische, dramatische, beschrijvende en psychologische genre, en toch missen zij het echte canto, den echten muzi-kalen zang in hun woord, de melodische rhythmiek, die niet de taal kan ingebracht worden door liefjes, zoetsappig en weekelijk te doen, — en ook niets heeft uittestaan met besuikerde phraseering en jammerend-zwoele idealiteit. Het werkelijk-muzikale vibrato is een innerlijke werking van de zingende ziel zélve uitgaand van het woord, de taal in èlle details melodisch en cantilenisch doorstroomend. — Zij, die naast het gevoel voor taal-muziek mede het gevoel voor de tóón-muziek bezitten, noem ik nu de instrumentaal-prozaïsten, en die bovendien het instrumentaal proza ook in onderdeelen muzikaal-lévend doorvoeren, orchestr aal-prozaïsten.
Instrumentaal proza heet, naar mijn formatie, het proza waarin de taai-klank, de geluids-expressie, en de rhythmische en metrische golving van ieder zins-deel, niet één enkel maal zijn geboren uit het verstandelijke betoog, niet één enkel maal zich tevreden hebben gesteld met zins-saamstelling door het cerebrale leven in ons voortgebracht, maar waarin telkens gestreefd wordt naar de meest volkomene en zuiverste