DE SCHOONE JACHT. 221
de kamer, langs Rodericks donker gebogen hoofd, een warm licht in bei mijn oogen stralende zoodat de kaarsen verdwenen". Hier is het woord "schoon" niet hinderlijk, wijl de werking van het licht ook schoon wordt aangegeven.
En zoo van Chopin-zinnelijkheid: „De beesten lagen bij. Koelte kwam van 't water gewaaid, de zang der zeelieden was zeer verre. Ik had mijn lippen aan haar lippen, en mijn oogen aan haar oogen, maar zij was koud en ik hoorde haar adem niet. De zon, achter die boomen, smolt in prachtig purperen gloor, bleek was de hemel boven ons, de golven bruischten benêe". Het eenig hinderende is weer ''prachtig purperen gloor''. Dat "prachtig" zegt niets. „Purperen gloor" zonder toevoeging zegt iets meer. Maar voelen zult ge deze ziel zeker in al haar fijnheid en schoonheid.
II.
Inderdaad een bérg van droomen tot schade van de verhaal-eenheid, waar men naar zoekt, telkens en telkens weer. Voor mij zou dit boek nog ééns zoo dik hebben mogen zijn, en had zich de berg van droomen nog ééns zoo hoog kunnen opstapelen, maar toch.... geen top zonder grond.... Ik geloof niet dat het Arthur van Schendel gelukt is, in deze zeer samengestelde allegorie van nymphen, menschen, sprekende hanen, ezels, zeeroovers, droomende dichter-knaapjes, teedere meisjes, — een doorzichtige geestelijke eenheid te geven, schoon al zijn fantasmagorische figuren wel op zich zelve levensdiepte bezitten. — Met eenheid bedoelen we, compositorischen samenhang van idee, innerlijke schoonheid en vorm, verzinnelijking van de geestelijke of ontroerende idee tot een artistieke werkelijkheid. — Heel hef en argeloos is de fantastische kindertoon van dit boek, dat in een sprankelende en tooverachtige sprookjes-spheer lijkt geschreven.