DE SCHOONE JACHT. 219
het zomer, het laatste licht was nauw over de bergen verdwenen of over de andere bergen rees een nieuwe dag". In "verdwenen" en "rees" overheerscht weer de traditie der beeldspraak. Want het licht "verdwijnt" en de dag "rijst" niet. Toch is hier de uitdrukking niet storend. „En uit de verre landen, uit de landen beneden, kwamen de zomergasten weer, zij bleven een poos of gingen voorbij. Vier kinderen bestegen den heirweg, dicht naast elkaar, en daalden en stegen dan weer met een liedje en een lach (Adama van Schel-tema-intonatie. Q.), hun stemmetjes klonken hooger, hun wangen waren rood. Zoons, dochters, en ook zij die geen ouders meer hadden, maar daar geboren waren, kwamen en zagen hun bergen terug, de goede bergen weerklonken van vroohjkheid, van het jodelen der meisjes en mannengeroep, en des avonds van huppelmuziek op de vedels".
En dit: „Er was laat dat jaar weer zeer veel sneeuw gevallen. De gehuchten, die over de glooiingen elkander kunnen zien, torenspitsen en wat dakjes verspreid, waren toen wonderklein, omdat de hooge bergen in hun witte pracht veel grooter en veel stiller waren, van boven tot in de verre dalen waar de schaduw langer toeft. De boeren bleven thuis, maar een herder, gewoon aan 't dwalen, vertelde toen reeds van de vier kinderen met hun roode mutsjes, die langs den heirweg zwierven, moeizaam door de sneeuw en altoos zingend, en bij het avondschemeren, dan hier dan daar, schuchter voor een deurtje stonden, tot de goede huisman verschrikt en hoofdschuddend van zorgzaamheid hen binnen het. Dan zaten zij stil voor het vuur, twee knaapjes en twee zusjes wat ouder; zij verstonden de landstaal niet, de oudste antwoordde met gebaren en de kleineren glimlachten verbaasd".
Een echt Van Schendelsche verhaalinzet. Geheimvol, week, teeder, fantastisch, teer en zoo innig doorzongen van een sprookjes-ijlen verhaal-toon, zoo edel en rustig