2l8 DË SCHOONË JACHT.
zijn verhaaltoon, een schikking van het levensgebeuren, waar doorheen we het verschiet der levens-beschouwing zelve zien. Wel droevig dat hij dramatische kracht en geobjectiveerde karakter-uitbeelding mist, dat, wat het episch-dramatische, het scheppend-ménsch-schoo-ne mag genoemd worden. Hoe zouden we een machtige ziel in ons midden rijker zijn. Toch, tevreden blijven we met wat we in hem hebben: een stemmingsvoeler van zoo prachtige, teedere diepte en zoo suggestieve verhaalfijnheid. Als het gekunsteld-so-bere en geforceerd-eenvoudige nog wat losgelaten wordt, zal hij ons nog gaver doen genieten van zijn droomschoon woordspel.
Een gevaar voor zich zelve heeft deze romantiek wel .Ze is eentonig, zoet-eentonig, thematisch, zonder veel afwisseling en van sprokig gebeuren, dat niet altijd kan blijven boeien aan menschen, die wèl den droom maar niét de magere tragiek verlangen.
Het melodische stijl-element kan alleen afwisseling brengen en dat moet dan ook volkomen, zonder storing in de klank-harmonie zijn. Als Van Schendel
schrijft:____״toch was er alleen maar geluid van schreden
en van de bellen van 't grazend vee",... .dan is, buiten de wanklankigheid der drie dadelijk achter elkaar geschreven "van's", het saamvoegen van het bellengeluid en schredengeluid ook een melodisch tekort, voelbaar voor ieder fijn-hoorende. Zoo is er veel meer analyse te geven, waaruit blijken zal hoe zeer, tusschen de locale couleur van zijn stijl, er iets moderns staat dat zich niet oplost en hard, soms zelfs wrang-wanluidend blijft onder al het zoet-schoone en zangerige van zijn woord. Toch moet ik u iets aanhalen van zijn vorm en zijn lied, dat soms Hinkt als een serenade, een week toongesprenkel van een moorsche gitaar, soms zuiver zoet geruisch van murmelende muziek, en even soms, héél even, als een schrik van wijsheid, den diepen bastoon van een contrafagot doet opdreunen. ״Toen werd