DE SCHOONE JACHT. 217
zij naar het slapend wicht, en het zonlicht dat weer zachtjes begon te schijnen wekte in hun oogen een dartelen glans".
Hij is te veel op zijn hoede soms, de talentvolle Van Schendel; hij wil in het onbewuste schoon van zijn stille, luisterende ziel naar wonderlijke, vreemde, visioenachtige verhalen, soms te veel het bewuste soberheidswoord styleeren, en dan krijgt zijn zin twee kantelingspunten; één van het onbewuste en dierbare, diep-gevoelige schoon uit, de ware ziele-eenvoud van den brozen droomer, den haast etherischen ziener en luisteraar naar zang van bovenaardsche geluids-fijn-heid; het andere van het bewust-doorgevoerde en geaffecteerde stijl-bewustzijn, waarin de periodetjes ontstaan als de boven aangehaalde. De onnoozele, de bekrompen stijl-voeler zal in deze "gewoonheid" van woord meenen te ontdekken een teruggang naar den traditioneelen schrijftrant, naar het zalvend-zachte, het zoet-welluidende, half preekerig-oratorische met ouderwetsche woord-buigingen en een overgave aan de onmiddellijke ónverimpressioneerde gewaarwording. Niets is minder juist dan deze ziele-staat in Van Schendel. Hij bekijkt alles door innerlijke aanschouwing. De realiteit manifesteert een droom in hem en dien droom geeft hij terug als een realiteit. Het is de werkwijze der idealistische naturen, ijl, fijn en van een weemoedige bekoring. En verwant aan dat wat alle groote werkers doen en gedaan hebben, in wie de realiteit, hoe hevig indrukken wekkend, nooit anders opwekte dan voorstellingen geheel doordrenkt van eigen gevoel en mijmerij. Het is daarom niet wonderlijk dat ook in De Schoone Jacht, het verhaal van Roderick, een ridder, die zijn vrouw eerst mint, daarna slaat en minacht, daarna weer mint, een stem van het midden-eeuwsche leven doorklinkt. Van Schendel behagen de verbeeldingen dezer tijden. Hij is een gelijksoortige ziel. Er is een lyrisch-Shakespeariaansch element in