2l6 DE SCHOONE JACHT.
zoo dat je éven alles om je heen vergeet aan geluiden en levens-zware dingen. Dit proza zoekt de stilte, is lieveling van het zachte gerucht der droomende wereld. Van Schendel probeert in zijn proza te geven al de kleur-geheimen en de scheemrende ontroeringen van het halflicht. En soms plots een lichte, juichende klaarheid van verve en woord, van evocatie en geluid, die verbaast. Hij is een fijn werker, levend in een brozen, weemoedigen schoonheidsdroom.
Ook in De Schoone Jacht is deze broze geest zich gelijk gebleven, — alleen krijgt het proza daarin soms een min of meer geaffecteerde modulatie en lijkt de zinsstructuur niet zoo zuiver als in vorig werk. ״Theobalt in eene spraakzame gezindheid, welke zich thans ook tot Roderick meedeelde". Zulk soort deftig-doode zinswendingen en uitdrukkingen zijn er vele in dit boekje. ״Oom vertelde eene uitstekende gebeurtenis uit het leven van wien het verbeeldde, Veronica aanvoegende wat zij meende dat hij vergat. Hierna begaven wij ons naar de woonzaal, waar mijn oom gemeenlijk den ganschen dag vertoeft", enz. In dezen zinsbouw is een opzettelijke eenvoudigheid en een terugkeeren tot de simpelste uitdrukkingen, die in zich zelve geen vergoeding meedragen aan verdiept sentiment, menschelijker levensvisie, schooner melodie, aarzelender klank-droom. Ze staan er duf en onbeholpen en schuw als in ieder ander oud werk waarin ze gebruikt zijn, onpersoonlijk van toon en ongeweten van beteekenis. — Sterkst komt deze mengeling van gewilden eenvoud en romantisch-bloeienden weelderigheids-zin voor het sensueele woord uit in zulke periodes: ״Ze wezen elkander de nieuw ontloken anemonen en bleeke violen die 't laagste groeiden, keken zwijgend naar de nimmer bewogen lehën en richtten onwillekeurig somwijlen hun oogen naar den kant waar de bloemen heen zagen en waar de zware, duisterende wolken haastig verschenen en verzwonden; dan zagen