XIV.
ARTHUR VAN SCHENDER. - I. DE SCHOONE
JACHT. - II. DE BERG VAN DROOMEN.
I.
Een nocturne-achtig proza, melancholiek, draome-rig, teeder en soms klinkend als een verre, zachte, droeve, maar heerlijk-zangerige gondelmuziek. Zijn boekjes, van verfijnd archaistische stijl-elementen vol, van oud-goudkleurige en roodduistere geheimvolle schijnsels doorlicht, maar zoo echt schijnselachtig en transparant, dat het goud en het rood een zonne-droom lijkt, als licht op een kamer-behang in laat-lentemid-dag. Beheerscht is dit proza en toch van zoo cierlijken en voornamen zwier, zoo hoofsch van gebaar en zang-zoete souplesse, van een nuanceeringsgevoel voor fijne klanken, een enkele maal waarlijk wonderbaar. De beschrijvingen, van hoe ander gehalte dan bij Van Oordt, in zijn opzichtig-druk, toch soms zoo schoon en zwaar-gedreven woord; hier bij Van Schendel veel meer bezonkenheid, meer innerlijke mijmerij-vangedachte en gevoel dooreen, fijn-warrig als een zonderling-glanzend en vonkerig spinneweb. Bij Van Schendel is het woord gepastelleerd, de klank gebroken, de toon omsluierd met een weemoedige teederheid. Dezelfde soort angstige, verstilde teederheid, het droevig waas dat een Barcarolle van Chopin heeft; dat wiegend-gondeleerend zangerige en rhythmische, dat zwevend-verfijnde, dat geacheveerd soupele en toch zoo innig, zoo diep van binnen de ziel uitklinkend, zoo ontroerd en zoo vol geheim fluisteren van stille smart,