Letterkundig leven, deel 2

Titel
Letterkundig leven, deel 2

Jaar
1916

Druk
1916

Overig
1ed 1916

Pagina's
240



EEN BOEK VAN HENRI DEKKING. 213

Met een juichkreet sprong zij recht. Ja dèt toch, dat toch: tegen den schoorsteen, aan een koordje, een wit gipsen handje.

Zij danste er heen en wipte het handje los en dat teeder in bêi haar handen sluitend, het oog vast er op gericht, zonk zij neer in den dichtstbijen stoel, het hoofd diep voorover, en een zacht lachen kirde uit haar mondje op.

Zijn hand, Hans z'n hand.

Hoe hield zij van zijn hand! Dadelijk na hun eerste geluk had zij die hand willen hebben. Wat hadden zij gelachen, toen zij z'n hand met olie had bestreken en in de klei gedrukt! En met bidden en vleien en pruilen had zij gedaan gekregen, dat de ongeduldige jongen zijn arm stil gestrekt liet op de tafel, tot zij hem verlossen kon. Den volgenden dag had zij gips in den harden kleivorm gegoten en toen had ze zijn hand. Zijn prachtige hand, haar oogen genoten er van.

O, 't was geen mooie hand, te stomp van vingers en te dik eigenlijk en de nagels veel te vierkant afgeknipt; maar die hand behoorde bij hem en in hun liefde. Zoo wilskrachtig was de forsche lijning der vingers en de botte stevige duim, uitwaarts gebogen, was als de duim van een werkman, van een kloeken, durvenden, willenden krachtkerel.

Die hand van Hans, die lieve, zachte hand, had haar gestreeld over de oogen en over het voorhoofd, als zij moe was en ontstemd en het. hoofdje vol stormen van twijfel en vrees, dan kwam er rust en geluk over haar, dan was het goed. Die hand had getast en omvat, die be-geerende hand.... Terwijl zij er naar keek, droomde zij weer haar gansche, lange liefde door. Zij zoende de vingers, die vingers met de rechte nagels, waar zij om gegild had, en als hij dan ontstemd was — hij wilde niet uitgelachen worden — liefkoosde zij ze met haar lippen; en haar eigen fijne handje, waar hij verliefd op was, drukte zij tegen zijn gezicht, zij streelde er zijn oogen mee, zijn mooie snor, zijn krulhaar, tot hij lachen moest om haar wulpsche verrukking....

Die hand van Hans. Zij hield er van. Zij hield van alles van hem en het meest, van wat nooit iemand kon hebben liefgehad en nooit iemand liefhebben zou, omdat zij alleen het zag. Zij had het alles ontdekt. Van zijn lippen hield zij het meest, als die pruilden, van zijn diep-grijze oogen, als die droevig stonden, van zijn voorhoofd, als dat gerimpeld was. Neen, van alles, van alles. Van zijn driesten mond, van zijn hals, zijn jongenshals met de strakke puilende keelspieren, die als kleine Dorische zuilen onder het trotsche gebouw van zijn hoofd stonden, van zijn Apollolijf. Zij hield van zijn kleeren, die zij voor hem koos, van zijn boorden en zijn dassen, die zij voor hem kocht.

Zij hield van alles, wat van hém was. Maar toch het meest hield zij van zijn handen. Wat waren die handen haar dierbaar.

Hoe konden die handen stevig haar schouders vastklemmen en haar middel en haar hoofd naar het zijne wringen in begeerte.

Wat een weelde, als zij die handen vast had, terwijl hij sprak van zijn liefde en zij voelde den druk ervan sterker om haar handje klem-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.