EEN BOEK VAN HENRI DEKKING. 211
risch, afgeknakt van het groote geheel. O! kreeg zijn talent maar die breede draagkracht en formeerkracht om ook groepleven en massa-bestaan te kunnen beelden. En de taal lijkt niet overal zuiver. Soms zijn er zelfs barre conventioneele expressies.
Maar het geheel is toch echt van klank en inner lijk zoo gaaf van toon.
Als er twee zinnen zóó onder elkander staan:____"maar
in hem brandde diep een heete vreugde. Zijn haanhad koning gekraaid over den dag van zijn nieuw leven, hij had overwonnen", dan zijt ge geneigd het eerste gevoel veel te sterk aangeduid te vinden in verband met de nuchter-burgerlijke karakteristiek in den tweeden regel gegeven. Ook de beeldspraak van dien kraaienden haan en nieuwen dag, acht ge banaal, en zóó het gansche woordgebruik. — De verdienste van Dekking is nu, dat hij, zonder opgeschroefde taal-modernerigheid, geheel blijvend in een door hém be-heerschten uitingsvorm, zonder grootdoenerige, gewild-dichterlijke verheffingen of descriptieve uitweidingen, toch zeer boeit, treft, zich gaan laat met groote innigheid, levendigheid en fijnheid van gevoel. De beschrijving van Emmy's hef de in het begin, is uitmuntend en de beschrijving van de eerste verwijdering niet minder. Dekking heeft zooveel detail-mooi, klein-mooi. Telkens duidt hij luttele dingen aan, zoo argeloos-goed en zuiver, en telkens merkt hij zachtjes fijne dingen op, zoo persoonlijk en diep-gevoelig dat ge in u zelf mompelen moet: wat hef, wat innig. Vooral het woww-sentiment werd in wezenlijke, niet bedachte en uitwéndig slechts nagevoelde teederheid naar voren gebracht. Emmy is, vooral in het begin, werkelijk een verliefde vrouw die denkt, peinst, voelt en zich ontroert, geen vrouw-figuur met de psychologisch verstandelijk uitgewerkte liefde van een literator-man in zich. Houdt s. v. p. deze opmerking vast, want dit feit geeft juist het boek gloed naar binnen, glanst ook over den stijl bijwijle.