EEN BOEK VAN HENRI DEKKING. 2C>7
alleen, alleen met haat treuiliefde en haar zachte geluks-herinnering.
Dat is alles. — Ook geeft hij wat bijfiguren. Meneer Baljon, een misselijke kwast-joumalist, neo-episch-romanschrijver-in-spé, Jaap, een somber heftig wezen, kunstschilder; verder, het model van Emmy, misschien wel dé type uit het boek en de ouders van Hans. Een groote fout in den roman is stellig de z.g. vogel-vlucht-psychologie van Hans en al de bij-figuren. Ik zou willen schrijven: het boek mist dioptriek en perspectief. Er is geen lichtbreking om de figuren en geen diepte-verloop in de gebeurtenissen. Zoodra men, bij een roman, na hem uitgelezen te hebben, in zelf mijmering zich nóg kan afvragen: maar wat gebeurt er nu met Jaap en Emmy, met het pikante vrouwtje van Baljon, met den opschepper Baljon en zijn roman-concepties zelf; met Hans als hij eenmaal getrouwd is?.... dan blijft er een tekort in levens-plastiek, in de öm- en afsluitende vormen der verhaal-psychologie. Er kwam iets zeer los, zeer vluchtigs, zeer haastigs en zwaks in den opbouw van den roman. De figuren in het boek zijn niet doorgewerkt. We krijgen even een tooverlantaarn-zicht op hun bestaan....
flap____weg! Ook de groote rumoering der stad werd
niet gegrepen met een breed temperament, een aanvullende epische beelding. Werkelijk, hoeveel mooier en heviger deed Herman Robbers dit in zijn Annie De Boogh. — Wel is de visie er bij Dekking, maar vaag en bleek en druilerig van kleur.
Meer paraphraseering óver dan beelding van het geweldig-Rotterdamsche handelsleven. Op die doorwerking, vooral van de bij-typen hebben we ons toch zoo zeer verheugd. Wat leuk, geestig die typeering van het model, zonder dik-opgelegde volkstragiek, geen charge en toch zuiver. En ook de humoristische ironie in dien journalist-bluffer, maar alles zoo fragmenta