I98 WINTERKONINKJE.
als een éénheid. En wat aardige typen, fijn bekeken, heeft hij aangelijnd in dit werk. Maar de psychologie van het ondermeestertje en Winterkoninkje werd toch hoofdzaak. Psychologisch is het onderwijzertje veel sterker geprojecteerd dan het slopmeisje. — Veel tragischer dan de plotselinge dood van het meisje, lijkt het vereenzamend tobben van het ondermeestertje, dat zijn studie maar niet kan bemachtigen, omdat hij er met zijn hoofd niet bij Mn blijven. — Die studie raakt hem niet diep den geest; telkens verdroomt hij zijn aandacht weg naar kleurvoller, levender dingen. En danzijn liefde voor, verwaarloosd door Winterkoninkje! Dat alles geeft Dekking met groote innigheid en fijnheid van zielstasten. Het samen zijn nu en dan van Winterkoninkje en het ondermeestertje is licht-mooi en met zachte lijntjes geteekend. Alleen haar dood werd psychologisch onbegrijpbaar. Veel te zwaar van tragiek voor een zoo driest- blijmoedig en zwierig-zonnig schepseltje als Winterkoninkje soms lijkt. Bij Jupijn! Dekking, gij hebt voortreffelijke kwaliteiten, maar de dramatische beëindigingen van uw werk voldoen mij allerminst! En waarom dit boek in den Ik-toon geschreven? Men stoot telkens óp tegen omgeving van ondermeestertje, ondermeestertje zelf en zijn schrijversbegaafdheid. Kan iemand zoo fijn voelend, zóó vooral andere menschen in het slop ziend, zoo kniezerig-klein dat leven zelf door maken? — Nergens blijkt uit het boek dat Herman schrijven kón! En dat korts-wijlige zien van de dingen nu en dan, gansch en al Dekking'sch, nee, dat gaat niet op! Maar stapt men over die ״Ikheid" heen, — over den vorm althans, — dan voelt men hoe innig, met hoeveel eerlijke overgave Dekking zich tot schrijven zet. Dit boek is smartelijker en weemoediger dan Getroffenen, wijl nog veel meer met de ziel geschreven. De tragedie van het simpele, leelijke ondermeestertje, wankelend tusschen plicht en smart, liefde voor zijn goed zedig Grootje en het