WINTERKONINKJE . 2o5
het publiek kunst kunnen leeren zien, voelen en doordringen. Iedere hooghartigheid en eigenwijsheid wreekt zich genadeloos op stemming, gemoed en geest van hen, die dat niet willen inzien.
II.
Tot de boeken, door het pubhek waarschijnlijk opzij gezet wijl er zooveel "narigheid" in voorkomt, behoort ook de roman van Henri Dekking, Winterkoninkje. Dekking zou met meer recht dit boek hebben kunnen noemen: de roman van een onderschoolmeester, als daarmee niet het poëtisch titeltje: „Winterkoninkje" verloren ware gegaan. — De geschiedenis van een aankomend schoolmeester, "verslingerd" zegt Vondel, op een volksmeisje, een buurtje bij hem in het slop wonend. Een meisje van zeer eigenaardige pittigheid en kittigheid.
Dan lijkt ze met haar kwinkeleerende vroolijkheid en dartele zangetjes waarlijk een vogeltje, vol natuur-jubel de stem en van een zorgelooze bekoring; d&n weer slaat haar mijmerend zieltje aan het kwijnen om alderlei. Ze is rijp van guitige opmerkinkjes en zoo temperament-vol als een nachtegaal. — En om haar zang en schalkschheid noemt Dekking haar „Winterkoninkje." Winterkoninkje dus! En het citaat van Jac. P. Thijsse, tot motto genomen: „Dit vogeltje is de lust van onze Hollansche winters. Iedereen verbaast zich er over dat zoo'n klein dier zoo luid, zoo zuiver en zoo lang kan zingen", moet een eigenschap van het lieve wicht ons verklaren. — Maar de natuurlijke historie gaat ver over dit motto heen! Nauman b.v. noemt het Winterkoninkje vooral door zijn behendigheid en driestheid. Ook een eigenschap van ons slop-Winterkoninkje? En dan spreken hij en Brehm over zijn blijmoedigheid en grenzelooze vrees