I98 WINTERKONINKJE.
brandt van verlangen naar schoonheidsbevrediging; hij eischt zuiverheid van uiting en beelding. Hij wil een werk, diep van binnen, tot de kern doordringen, zooals een dirigent de partituur van de compositie, welke hij wil laten vertolken. Wat weet het groote publiek van dat wonder der inleving, instudeering, inwerking van zoo een dirigent in de geheimen der groote orkestscheppingen? De menschen luisteren, worden bewogen, ontroerd, als één manifesteerende groep zielen tot hevige innerlijke aandoening gebracht. Men applaudisseert, roept met heete geestdrift in de stem, men lacht van verrukking om het gehoorde, genotene; maar hoeveel onder de applauskloppers voelen iets van de groote geweldige inleving, de immense inspanning, de hevige saamgroeiing van geest en ziel met het scheppende werk, van den dirigent, den al-bezieler? Zooals een dirigent werkt, zoo werkt een waar criticus-kunstenaar. Hij geeft zich aan de schoonheid zooals een bruid aan haar minnaar! Voor hem is kunst de heiligste levensuiting. Hij peinst zich ziek op een periode, hij leeft en sterft voor de schoonheid. Dat lijkt in den geest der nuchteren ijlen, dwepen, overdrijven. Maar zijn kunst is hem een korf met leliën zoo blank, zoo geheimvol van lichtwerking. Hij droomt in het zoele groen der maluwe, waar de zon de gras-geuren wekt en de aarde uitlokt. En gij ziet niets dan wat woorden, wat papier en inkt. Voor u, voor de groote massa is de schoonheid niet een heiligheid. Velen zien slechts geschroeide wijngaardranken, de druiven weggevreten door gulzigaards en wellustigen. Maar laat men toch voelen dat het ons in geen geval te doen is illusies te dooden, uit zucht tot critiek leelijk te noemen wat mooi blijkt; te ontrafelen en uiteen te rukken wat niet uiteengerukt of ontrafeld kón worden.
Wij verlangen mee-gevoel, mee-begrijpen, en het besef dat alleen de kunstenaars de eenigen zijn die