WINTERKONINKJE . 2o5
groot kunstwerk is braaf, edel, hoog-gedacht uit-zich-zelf, hoeft nooit apart, om de moreele fraaiigheid, over al deze mensch-deugden te schrijven. Ieder kunstwerk b.v. van Rembrandt is de hoogste braafheid en ade-lijkheid van gedachte en gevoel, welke zich de braafste en goedertierenste mensch ooit kan voorstellen. Als men maar kan transponeeren met den geest en begrijpen, dat het bereiken van een hooge schoonheid, in den grond niet minder is dan braafheid en edelmoedigheid, en dat alle burger-fatsoen van "ajakkes, hoe ordinair"-roepers vergaat naast de grootheid-van-geest der waarlijk groote kunstenaars. Het lezend publiek meent ook, dat er tegenwoordig al genoeg "narigheid" in de wereld is ;waarom daarover nu nog te lezen?
Schoon gelijk, edelachtbare pubhek-rechter, maar ge moet toch niet denken dat wij het nu alleen mooi vinden omdat het "naar" is.
O t dat doordraven van pubhek en leeken over alles en nog wat op kunstgebied! Wanneer zal eens begrepen worden, dat allereerst boeken-lezen moet zijn genots-, diep genots-verlangen en geen amusements-be-vrediging alleen. Literatuur-Zezew is even moeilijk en zwaar als schilderijen-zien en muziek-hooren. Er zijn wellicht menschen, die twee romans per week verslinden en toch hoeft het niet paradoxaal te klinken van deze verslinders te beweren, dat zij misschien niet lezen kunnen.
Want wat groote dingen worden daar niet voor geëischt ? De werkelijke criticus kijkt in zijn beoordeelingen alleen naar bereikte schoonheid, niet naar verstrooiings-verlangen van pubhek. Ook daarom gebeurt het dat deze een boek vol "narigheid" soms zeer mooi vindt en roemt, terwijl de lezers er niets dan ergernis en verveling bij ondervonden hebben. — Zeer begrijpelijk! De criticus leest, als hij ten minste zijn taak als een zeer bizondere geestelijke arbeidzaamheid houdt, met gansche overgave. Hij ontleedt, hij